|
PROJECTEN
WMO
WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
Kerken
en het morele debat met overheden
Inleiding van
drs H.J.G.M. Crijns tijdens de studiedag 'Invoering Wmo in uitvoering
- (On)mogelijkheden voor de kerken' over WMO en Kerken op vrijdag
8 december 2006 te Sittard, georganiseerd door Dienst Kerk en Samenleving
van het bisdom Roermond, Fontys, Centrum Theologie en Pastoraat en
Protestantse Kerk in Nederland. Hub Crijns is directeur van landelijk
bureau DISK.
Inleiding
I. Meerdere niveaus van verantwoordelijkheid en een privaat
en publiek aspect
II. Uitgangspunten in het sociale denken van de kerk
IIIa. Een kaart van onze economische en sociale samenleving
IIIb. Verhoudingen tussen kerk en staat
IV. WMO implicaties voor diaconie
Inleiding
Zoals bekend vormt
de invoering van de WMO de aanleiding voor mijn inleiding van vandaag.
De eerste kennismaking met de nieuwe Wet is al gedaan. Ik start het
morele debat met een korte verkenning van de waarde verantwoordelijkheid.
Die verkenning nodigt uit om enkele kernen uit het katholieke sociale
denken neer te zetten. Daarna schets ik een korte kaart van onze economische
samenleving, en plaats daarin mogelijke verhoudingen tussen staat
en kerk. Om tenslotte te eindigen met hoe wij in de diaconie kunnen
omgaan met de overheid rond de WMO en de gevolgen daarvan voor de
samenleving.
I.
Meerdere niveaus van verantwoordelijkheid en een privaat en publiek
aspect
Ik maak een eerste
reflectie rond de waarde 'verantwoordelijkheid', die een kernbegrip
is in de WMO. We zien al snel dat er verschillende niveaus zijn.
1. De persoonlijke verantwoordelijkheid kent grenzen, waar de eigen
mogelijkheden mentaal en fysiek bereikt zijn. In de dienst van barmhartigheid
bijvoorbeeld raakt de hulp aan medemensen helaas aan einders.
2. Hier komt de groepsverantwoordelijkheid in beeld. Een huishouden,
familie, clan, groep, organisatie van uitkeringsgerechtigden, vereniging,
kerk, vakbond, et cetera kan meer dan een individu. Zeker als die
groep tekening en structuur aanbrengt in ieders vermogen zodat er
structuren van de dienst van gerechtigheid ontstaan. Maar ook deze
groepsverantwoordelijkheid raakt aan haar grenzen, zoals honderd jaar
emancipatie van de arbeidersbeweging en vrouwenbeweging bewezen heeft.
3. Hier komt de collectieve verantwoordelijkheid in beeld: je kan
beter iets met zijn allen organiseren en daar samen een steentje aan
bijdragen, dan ieder apart. Vanuit deze ervaring hebben we een 'sociaal
contract' opgebouwd, waarin de niveaus van verantwoordelijkheid aan
elkaar aansluiten in een netwerk van rechten en plichten. Dat netwerk
houdt ook in dat de overheid zal zorgdragen voor banen en dat mensen
de plicht kennen met hun arbeid bij te dragen aan de samenleving:
betaald (veelal mannen) en onbetaald (veelal vrouwen).
Die verantwoordelijkheid kent tevens een privaat en een publiek aspect,
dat aan te wijzen is op elk van de drie genoemde niveaus. Geweld op
straat in de publieke ruimte mag niet, en dus ook niet thuis. Wie
in huis netjes is, maar zijn rotzooi over het balkon het parkje van
de gemeente in kiepert, maakt een publiek probleem. Wie niet steelt
van familie, maar wel zwart werkt met een uitkering, is niet lekker
bezig. Wie prettig aan het ondernemen is en bij tegenwind mensen afvoert
via de WAO, profiteert ook van de publieke ruimte.
Zo hebben we in die drie niveaus van verantwoordelijkheid en de private
en publieke aspecten daarvan binnen het netwerk van rechten en plichten
afgesproken, dat wat op een lager niveau goed kan gebeuren, een hoger
niet moet gaan regelen. We noemen dat subsidiariteit of autonomie
in eigen kring En andersom: waar de lagere niveaus tekortschieten,
daar moet het hogere niveau inspringen. We noemen dit verplichtende
solidariteit.
Bij verantwoordelijkheid moet je wat verder kijken dan je neus lang
is: wie denkt privaat wel een loopje te kunnen nemen met verantwoordelijkheid
door wat regels op te rekken, die merkt na enige tijd dat dit publiek
bij hem terugkomt, vaak negatief. Want als we met zijn allen privaat
wat regels oprekken, komen we elkaar met zijn allen publiek tegen
in het motto 'Zo kan het niet langer meer!'
Bij het leven en handelen in een samenleving gaat het om de goede
afstemming van de private en publieke aspecten van verantwoordelijkheid
op alledrie de niveaus.
II.
Uitgangspunten in het sociale denken van de kerk
Ik
probeer dit nog wat verder in te vullen met hulp van de katholieke
sociale leer.
De katholieke sociale leer is 'gelaagd'. De posities die ingenomen
worden met betrekking tot concrete sociale en politieke problemen,
worden als volgt opgebouwd.
1. Vanuit de eigen taak en gelegd naast analyse van contexten begint
men met een schetsen van de eigen gelovige uitgangspunten of geloofsoriëntaties.
2. Deze leiden tot de ontwikkeling van morele beginselen en gedragsregels,
3. die vervolgens door personen of groepen toegepast worden, die daarbij
gebruik maken van de in 1 geschetste geloofsoriëntaties en in
2 de ontwikkelde morele beginselen door deze te betrekken op/in concrete
situaties
De gelaagdheid is dus drievoudig, en dit betekent ook verschillende
graden van urgentie.
A. Er zijn
drie geloofsoriëntaties aan te wijzen:
1. Er is vooreerst de overweging dat de schepping van de mens door
God aan dit schepsel - dus aan alle mensen en aan ieder mens afzonderlijk
- een 'onherroepelijke waardigheid' verleent.
2. Niet alleen dit menselijk wezen is door God geschapen, maar "alles
komt voort uit Gods scheppingskracht": het universum, de aarde
en al het levende en levenloze dat op aarde bestaat
3. Van doorslaggevend belang in de idee van de menselijke waardigheid
is dat deze zijn 'creativiteit en vrijheid' inhoudt. Deze geven de
mens een betrekkelijke zelfstandigheid, een persoonlijk initiatief
ten aanzien van zijn eigen bestaan en van alles wat bestaat
B. Er zijn
vier morele beginselen karakteristiek voor de sociale leer.
1. Allereerst kan gewezen op het personalistisch karakter van de sociale
leer. In de concrete persoon komen de dimensie van socialiteit en
die van individualiteit samen. Daarom impliceert dit personalisme
de waarde van de 'solidariteit'. (Dit wordt in de katholieke traditie
uitgewerkt in het beginsel van de subsidiariteit, en in de gereformeerde
traditie in dat van de soevereiniteit in eigen kring).
2. De zelfverwerkelijking van de mens, het streven naar zijn menselijke
waardigheid, kan ook worden gezien als een proces van het nastreven
van belangen, hier in de ruimste zin van het woord genomen. Daarbij
kunnen de belangen van personen en groepen met elkaar botsen, Op zich
is het opkomen voor belangen een rechtvaardige zaak.
3. Een derde moreel beginsel is de erkenning van de intrinsieke 'waarde
van de menselijke arbeid'. Arbeid is hier niet identiek met een baan;
dat is één vorm van arbeid, binnen een gedifferentieerd
modem economisch stelsel.
4. Tenslotte is er het morele beginsel van een 'gemeenschappelijke
zorgplicht', de verantwoordelijkheid van de gemeenschap voor hen die
niet voor zichzelf kunnen zorgen, hetzij tijdelijk, hetzij structureel.
C. Onder de
toepassingen van de sociale leer komen veel bisschoppen tot de volgende
drie:
1 Relatie van
de persoon tot de overheden in het algemeen en tot overheidsinstanties
en overheidsvoorzieningen in het bijzonder.
-
Hier
gaat het om de verhouding tussen individu en overheid, die in het
christendom een 'zekere anarchie' kent: principe van solidariteit
en subsidiariteit
2 De economische
orde in algemene zin.
-
De
verhouding tussen de persoon en de economie, tussen persoon en kapitaal,
arbeid en markt. Persoon en arbeid gaan boven kapitaal en markteconomie.
-
De
sociale leer streeft naar rechtvaardige omstandigheden voor iedereen
met een sterke nadruk inzake de zwaksten en de vreemdelingen
-
Tegenwoordig
een sterk accent op de verhouding van het individu tot de rol van
de economie in zijn/haar leven: nadruk op spiritualiteit, soberheid,
solidariteit.
3. De ecologische
verantwoordelijkheid
-
De
scheppingstheologie wijst op verantwoordelijkheid: micro, meso,
macro.
-
Rentmeesterschap
wijst op zorg: voorzorg (preventief), zorg (onderhoud), nazorg (curatief)
IIIa.
Een kaart van onze economische en sociale samenleving
Uit
het langdurige armoede onderzoek van bijvoorbeeld Godfried Engbersen
en uit de economische theorieën komt een kaart van onze economische
en sociale samenleving naar voren. Ik werk vaak met die kaart. Bij
het nadenken over de prestatievelden van de WMO zult u merken dat
die kaart behulpzaam is om onze strategie voor het handelen te bepalen.
Bij het indelen van de kaart maak ik gebruik van de woorden formeel
en informeel. De formele economie is de economie van wetten, procedures,
regels, contracten. De informele economie is die van handjeklap, vrijwilligerswerk,
mantelzorg, opvoedwerk, weinig of geen regels, geen papieren.
Een tweede indeling die ik gebruik is die van betaald en onbetaald.
De betaalde economie is die van het betaalde werk, arbeidsmarkt, loon.
De onbetaalde economie is die van gratis werken zonder betaling of
inkomen.
Met hulp van deze twee indelingen ontstaan vier vakken in de economische
en sociale samenleving, waar we allemaal wel op de een of andere manier
in staat en aan meedoen.
| Formeel |
Informeel |
- Economie
van de ruil
Arbeid
voor inkomen
|
- Economie
van de gift
Onbetaalde
economie
|
- Economie
van de herverdeling
Arbeid
voor inkomen
|
- Grijze
informele economie
- Zwarte
criminele economie
|
| Betaald |
Onbetaald |
Ik leg aan de
hand van mijn eigen leven kort uit hoe ik aan deze vier soorten van
economie meedoe. Als directeur van landelijk bureau DISK verdien ik
mijn inkomen in het vak van de herverdeling. Het rijk doet hetzelfde:
via de belastingen wordt geld opgehaald, waarmee betaald werk wordt
mogelijk gemaakt in het onderwijs, de zorg, de infra-structuur, de
veiligheid et cetera. Mijn bestuur werkt met subsidies en giften en
maakt vandaaruit betaald werk mogelijk. We zijn tevens een uitgever
van tijdschriften en boeken en komen wat die vorm van economisch handelen
betreft in het eerste vak terecht: de formele economie. Hier zit vooral
het commerciële bedrijfsleven en dienstensector. Als ouder ben
ik opvoeder van drie kinderen en heb ik met mijn partner vier ouders
verzorgd toen ze in hun laatste levensfase waren. De gratis arbeid
van opvoeding en mantelzorg. Het grijze deel van de economie heb ik
ook bewandeld, met name toen ik jongeren op onze jonge kinderen liet
oppassen of toen ik kleine klussen heb laten doen, zoals elektriciteit
aanleggen.
Globaal kun je zeggen dat de overheid in het sociaal-economische beleid
van de recente 20 jaar de formele ruileconomie wil bevorderen, de
formele herverdelingseconomie wil bezuinigen, de informele gifteconomie
te weinig waardeert en de informele criminele economie wil bestrijden.
Als we over de WMO spreken, is het handig om deze economische en sociale
kaart in ons hoofd te houden. De WMO wil namelijk die kaart ook gebruiken,
vooral waar het de herwaardering van de informele gifteconomie betreft.
IIIb.
Verhoudingen tussen kerk en staat
De
relatie tussen kerken en overheid is in de loop van de geschiedenis
vaak spanningsvol geweest. Die spanning vloeit voort uit het gegeven
dat beide instituties aanspraak maken op de levensinrichting van haar
leden respectievelijk burgers. Hiermee is direct de vraag naar de
macht in het geding. Spanningen worden ook opgeroepen als het beeld
dat de kerk van zichzelf heeft niet door de overheid erkend wordt
en andersom.
Welke relatiepatronen
kunnen wij waarnemen?
a. Kerk boven
staat
Er is de opvatting dat de kerk boven de wereldlijke overheid staat.
Door de genadevolle band en de kennis van de goddelijke leer behoort
aan de kerk uiteindelijk het hoogste gezag toe. Dit model is vooral
vanaf de vroege tot in de late Middeleeuwen door de pausen van Rome
in de Rooms-Katholieke Kerk uitgewerkt. Maar ook in sommige theocratische
opvattingen van protestantse snit is deze visie terug te vinden. Het
grote gevaar van dit patroon is dat de kerk een machtsinstituut wordt
dat eigen macht en belangen vooropstelt.
b. Staat boven
kerk
Het omgekeerde van het zojuist genoemde is de opvatting dat de wereldlijke
overheid boven de kerk staat. Dit model is feitelijk aanwezig geweest
in het Byzantijnse rijk, dat ontstond na het uiteenvallen van het
Romeinse rijk aan het eind van de vierde eeuw na Christus (ook wel
Oost-Romeinse rijk genoemd). Het grote gevaar van dit model is, dat
de kerk een kritiekloos instrument in de handen van de overheid wordt.
c. Kerk en
staat nevengeschikt
Kerk en wereldlijke overheid zijn nevengeschikt ten opzichte van elkaar
te zien, maar staan beide onder het gezag van God. De kerk vervult
een soort 'wachtersfunctie' ten opzichte van de overheid: vervult
deze haar door God gegeven ambt op een goede wijze? Dit model vinden
we in kerken met een calvinistische achtergrond. Zo kent de kerkorde
van de Nederlandse Hervormde Kerk uit 1951 de bepaling dat het de
taak is van de diakenen om 'staande temidden van de sociale noden
van het volk, hun kennis dienaangaande dienstbaar te maken aan de
voorlichting van de Kerk, opdat deze ook overheid en samenleving wijze
op haar roeping, de gerechtigheid te betrachten' (artikel IV, lid
7).
d. Kerk en
staat werken samen
In dit model werken staat en kerk samen op basis van wederzijds voordeel.
De staat heeft bijvoorbeeld baat bij loyale burgers. De kerk werkt
aan deze disciplinering mee via de door haar overgebrachte denkbeelden
en sancties (weigeren van de toegang tot het heil, van financiële
ondersteuning in het geval de armenzorg bij de kerk berust) en krijgt
daarvoor belangrijke vrijheden door de staat toegewezen, zoals de
vrijheid van godsdienst, onderwijs, en vereniging. Zo bevatte de Grondwet
van 1814 de bepaling dat het openbaar onderwijs diende 'ter bevordering
van Godsdienst als een vaste steun van den Staat en ter uitbreiding
van kennis'.
e. Kerk bemoeit
zich niet met de staat
Een volgende variant is dat de kerk zich niet met de staat en de politiek
bemoeit. Hieraan kunnen verschillende overwegingen ten grondslag liggen,
zoals:
-
Er
is een scherp onderscheid tussen het geestelijke terrein en het
wereldse, waarbij de kerk respectievelijk de overheid verantwoordelijk
zijn. Dat is het geval in bepaalde interpretaties van Luthers tweerijkenleer.
-
Men
ziet het geloof als een puur individuele zaak, waarbij het gaat
om het eeuwige heil en niet om de wereld, zoals zichtbaar is bij
bepaalde pinkster- en evangelische groepen en in de praktijk ook
bij leden van andere kerken.
-
Gelovigen
wenden zich af van hetgeen zij zien als de 'boze wereld' en kiezen
ervoor om een eigen, afgescheiden en niet-zondige samenleving op
te zetten, die als alternatief geldt voor die boze wereld.
f. Kerk participeert
via haar leden
De kerk neemt niet rechtstreeks aan de politiek deel als instituut,
maar via haar leden die participeren in confessionele politieke en
maatschappelijk organisaties. Deze visie was lang, tot in de jaren
zestig, overheersend in de Gereformeerde Kerken Synodaal. De kerk
als instituut legde zich toe op de bediening van het Woord en de sacramenten,
terwijl de kerk als organisme gestalte kreeg via de individuele gelovigen
en hun deelname aan confessionele organisaties in de onderscheiden
sectoren van de samenleving. Het instituut kerk had door de voeding
van het organisme een indirecte invloed op de samenleving. We herkennen
deze positie ook terug in het katholieke sociale denken.
g. Scheiding
tussen kerk en staat
In de huidige moderne democratische samenleving is de verhouding tussen
kerk en staat geregeld door een scheiding door te voeren tussen kerk
en staat. Hierbij mengt de overheid zich niet in de interne aangelegenheden
van kerken, worden geen kerken boven andere bevoordeeld en worden
kerken niet boven andere levensbeschouwelijke organisaties en instituties
bevoordeeld. De kerken oefenen geen directe macht uit over de overheid.
Als zij een weg ter beïnvloeding willen kiezen, dan zijn daar
democratische procedures voor. Hiermee is ook gezegd dat de scheiding
van kerk en staat niet impliceert dat de kerk zich niet met politiek
zou mogen bemoeien (een zeer hardnekkig misverstand, dat ook binnen
kerken leeft). Het gaat om de kanalen waarlangs zij dat doet. Ook
het hedendaagse diaconaal werk in Nederland beweegt zich in dit kader.
Ontwikkelingen
Zowel de rol van
de kerken als die van de overheid ondergaat ingrijpende veranderingen.
De positie van de kerken als instituut is aan erosie onderhevig door
de ontkerkelijking en vergrijzing, alsmede door de individualisering
en subjectivering van de religieuze beleving, waarbij de eigen beleving
en keuze van het individu voorop staan.
Het geloof dat de nationale overheid de samenleving vorm kan geven
(de zogeheten maakbaarheid) neemt af. De macht van de nationale overheid
verschuift in toenemende mate naar andere actoren, te weten:
-
het
nationale en internationale bedrijfsleven (privatisering, sterke
toename van de invloed van de marktsector);
-
internationale
overheden en verdragen (Europese Unie, internationaal recht en afspraken);
-
lokaal
bestuur (decentralisatie);
-
maatschappelijke
organisaties (overdragen van verantwoordelijkheid);
groepen en individuen (herwaardering persoonlijke verantwoordelijkheid);
de rechter (conflicten vecht men uit via de rechter).
-
Voor
een deel hangen deze verschuivingen samen met economische, technologische
en culturele ontwikkelingen (bijvoorbeeld globalisering, individualisering),
voor een deel zijn zij terug te voeren op politieke keuzes en voorkeuren
onder politici, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en
burgers.
Civiele samenleving
In
termen van het huidige debat over de relatie tussen overheid en samenleving
maken kerken onderdeel uit van het maatschappelijk middenveld. De
kerken vormen voor de overheid een van de vele maatschappelijke organisaties,
en hebben op zich geen meerwaarde boven andere. Bij de voorbereiding
van deze inleiding is me gevraagd hier op in te gaan. Kerken worden
beoordeeld op de kwaliteit van hun inbreng.
Men spreekt ook wel van 'civiele samenleving' als men de maatschappelijke
verbanden bedoelt die noch tot de staat noch tot de formele economie
noch tot de individuele levenssfeer behoren. De discussie over deze
civil society kent overigens een normatieve toonzetting, omdat deze
civiele samenleving als een tegenwicht wordt gezien tegen enerzijds
een te sterke overheidsinvloed en anderzijds een te grote invloed
van de marktsector. De civiele samenleving zou bij uitstek de plaats
zijn waar mensen verantwoordelijkheid (leren) nemen, vaardigheden
opdoen voor het maatschappelijk verkeer, relaties en onderlinge betrokkenheid
ontwikkelen en een waarden- en normenbesef kunnen praktiseren dat
het eigen belang overstijgt.
Een aanduiding van de belangrijke rol die kerken hebben bij de vorming
van dit sociaal kapitaal, blijkt onder meer uit het gegeven dat kerkelijk
betrokken personen een grotere maatschappelijke inzet tonen, vaker
lid zijn van verenigingen en meer vrijwilligerswerk (waarvan diaconale
activiteiten deel uitmaken) verrichten dan andere bevolkingsgroepen.
IV.
WMO implicaties voor diaconie
Wat
betekenen deze ontwikkelingen nu voor de diaconale inzet met en voor
mensen in nood? Of voor het omgaan met de decentralisering van de
sociale wetten van rijk naar burgerlijke gemeente? We gaan van verzorgingsstaat
naar verzorgingsstad. In een moderne democratie is de kerk, met inbegrip
van haar diaconale werk, voor de overheid een van de vele maatschappelijke
organisaties, die vanuit zichzelf geen meerwaarde heeft boven andere.
De kerk zal vanuit haar zelfverstaan zichzelf zien als een organisatie
met een eigen kwaliteit en daar wellicht ook een meerwaarde aan ontlenen.
Ook voor ons christenen geldt daarbij: het gezag van kerken is niet
met het kerk-zijn als zodanig gegeven, maar dient te berusten op de
kwaliteit van het handelen en (waar het gaat om de visie van kerken)
op de kwaliteit van de motivatie en argumentatie en hun kennis van
zaken.
De geloofwaardigheid van de diaconie en daarmee ook zijn gezag wint
aan betekenis als deze diaconale inzet authenticiteit kent. Dat wil
zeggen: berust op een door het geloof geïnspireerde en gevoede
inzet voor en met mensen in de knel, die niet plaatsvindt op grond
van kerkelijke belangen, maar omwille van de verbetering van de situatie
van mensen in nood.
Diaconie zet zich er daarbij voor in om de kerken zelf in hun functioneren
een afspiegeling te laten zijn van waar het in het diaconale handelen
omgaat: een kerk die ruimte, gemeenschap en mogelijkheden tot participatie
biedt. Ook het kerkelijk beleid wat betreft gebruik van gebouwen,
financiën en personeel wordt hierop getoetst.
Voorts werkt diaconie aan bewustwording van noden bij individuele
kerkleden, opdat die in hun onderscheiden posities (werkgever, werknemer,
burger, consument, lid van verenigingen) aan hun verantwoordelijkheid
gestalte geven.
Diaconie vervult tevens een rol in de samenlevingsopbouw door mensen
de mogelijkheid te bieden en te stimuleren om door diaconaal werk
hun verantwoordelijkheid voor het functioneren van de samenleving
vorm te geven. Daarbij kan goede diaconie ook bruggen bouwen tussen
mensen en groepen die in conflict verhoudingen leven door ontmoetingen
te organiseren en gezamenlijke activiteiten te ontwikkelen.
De diaconie beschikt daarbij nog steeds over belangrijke hulpbronnen
die voor vrijwilligersinzet van grote betekenis zijn: mensen, geld,
kennis, een uitgebreid netwerk aan de basis dat met geen ander te
vergelijken is, de habitus om moreel te denken, gezag op sociaal vlak,
een (spirituele) traditie van inclusief denken over de mens, het vermogen
om als instituut voort te blijven bestaan in de tijd.
Diaconie zal zich niet beperken tot opvang (denk aan de werken van
barmhartigheid), maar ook proberen door het bevorderen van structurele
en culturele veranderingen noden te bestrijden (het werken aan gerechtigheid).
Daartoe ondersteunt het mensen in knelsituaties om op te komen voor
verbetering van hun positie en/of treedt het zelf op als pleitbezorger
en neemt deel aan het publieke debat. We noemen dat vanuit de kerkelijke
armoedebeweging: helpen onder protest. Plaatselijke kerken kunnen
daarbij een eigen expertise inbrengen door de ervaringen die opgedaan
zijn in allerlei kleinschalige diaconale activiteiten, in dat debat
in te brengen.
Diaconie is bij uitstek in staat om netwerken mogelijk te maken, lokale
coalities aan te gaan, lobbies te voeren. Zeker nu zoveel van het
sociale beleid van het rijk naar de burgerlijke gemeente wordt overgeheveld,
is het nodig dat mensen lokale allianties maken. De prestatievelden
van de WMO bieden daartoe kansen.
Eerder signaleerde ik dat de rol van de overheid verandert. Ook bij
die verandering blijft staan dat de overheid medeverantwoordelijk
is voor goede sociale zekerheid en voor goede sociale voorzieningen,
die een volwaardige participatie van eenieder in de samenleving mogelijk
maken. De zorg- en beschermingsplicht van de overheid voor de burgers
in nood blijft een uitgangspunt in onze samenleving. Zonder deze voorzieningen
is namelijk de rechtszekerheid van burgers niet fundamenteel gewaarborgd.
Nadrukkelijk zullen daarbij ook andere actoren aangesproken worden,
al naar gelang de vraagstukken die aan de orde zijn.
Naar
beginpagina wmo
|
|