|
BERICHTEN
SOLIDARITEIT
IN DE POLDER?
Een studiemiddag
Klik
hier om een verslag met de complete inleidingen
te downloaden (523 kb).
Door
Hub Crijns
Inleiding
Solidariteit ingepolderd?
De wortels van solidariteit
Geperverteerde solidariteit
Onderklasse of 'precariaat'
Scheppen van natuur en lijden als vorm van actie: doe maar
Levendig debat
Inleiding
De
onderzoeksgroep Religie, Economie en Arbeid (REA) van de Radboud Universiteit
Nijmegen, landelijk bureau DISK, de werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA,
de Alliantie voor Sociale Rechtvaardigheid, Kerk in Actie en uitgever
Van Gorcum hebben zich op 1 februari 2007 tijdens een studiemiddag uitgebreid
bezig gehouden met het recent verschenen boek 'Solidariteit in de polder?
Armoede en sociale uitsluiting in Nederland bezien vanuit de economie
en de theologie' (Van Gorcum 2006).
Uitgangspunt voor
de besprekingen in de REA groep vormde de oproep van de Alliantie voor
Sociale Rechtvaardigheid in 2002 tot verhoging van het sociaal minimum.
Naarmate het gesprek in de REA vorderde werd duidelijk dat het begrip
'solidariteit' het kernpunt vormde, en dat in het debat over armoede en
sociale uitsluiting veel te weinig aandacht geschonken wordt aan de achterliggende
denkkaders, aan de mens- en wereldbeelden die in het geding zijn.
Solidariteit komen we in de samenleving vaak tegen als een moreel appèl
tot saamhorigheid. Georganiseerd in het verplichtende stelsel van sociale
zekerheid groeit de neiging om deze solidariteit te waarborgen met een
ministelsel. In de bundel komt solidariteit aan de orde als 'kanssolidariteit'.
In plaats van solidariteit als een moreel appèl gaat het hierbij
om het besef van een conditie, een werkelijkheid die als een maatschappelijk
weefsel van samenleven aan ons individuele bestaan ten grondslag ligt.

Solidariteit
ingepolderd?
De aftrap op de studiemiddag
werd gegeven door Toine van den Hoogen, hoogleraar systematische theologie
en bijzonder hoogleraar economie aan de Radboud Universiteit Nijmegen
en tevens de voorzitter van de REA. Hij ging in zijn inleiding in op het
waarom van het vraagteken achter de titel van het boek. Er is anno 2007
in Nederland nog steeds een indringend sociaal vraagstuk, namelijk de
problematiek van armoede en sociale uitsluiting. "Wie zegt dat dit
vraagstuk zich afspeelt in (en door!) het poldermodel van de Nederlandse
economie, roept een typisch Nederlands probleem op: is er bij dit sociale
vraagstuk wel sprake van een 'polder' en waardoor is het sociale vraagstuk
van de hedendaagse economie in Nederland dan ingepolderd?"
Van de Hoogen constateert dat het sociale vraagstuk in Nederland tot beleidsinstrument
is gemaakt van de sociaal-economische politiek en daarmee onderdeel is
van de polder-economie. Uitgangspunt is dat mensen autonoom zijn. Gelijkheid
van deze mensen wordt bevorderd door middel van kanssolidariteit: het
beginsel van compenserende verschillen.
Vervolgens ging van den Hoogen in op de mensvisie, die ten grondslag ligt
aan dit beginsel. Wie is die mens? En waarom moet die solidair zijn met
de ander? Is er sprake van een zijn (een ontologie) of een moeten (doelethiek)?
De voor-moderne opvatting van solidariteit wijst meer op een 'zijn' dan
een 'moeten'. Daarom worden in het boek twee lijnen geschetst waarlangs
dat premoderne idee van solidariteit opnieuw relevant kan zijn voor onze
hedendaagse vragen bij armoede en sociale uitsluiting. In de eerste lijn
staat een kritische herbezinning centraal op de relevantie van het christelijke
erfgoed. In de tweede lijn staat een kritische herbezinning centraal op
ideeën over markt en moraliteit. Wie die lijnen en de argumentaties
langsloopt, begrijpt het vraagteken.

De
wortels van solidariteit
Trinus Hoekstra ging
in zijn inleiding in op de markteconomie en de achtergronden van solidariteit.
Waar hebben we het eigenlijk over wanneer we het over 'solidariteit' hebben
en wat is daarbij vanuit de christelijke traditie een richtinggevende
notie? Hoekstra bracht ons in zijn verhaal in contact met de filosoof
en politicus Léon Bourgeois (1851-1925), die tegen het eind van
de 19e eeuw een politiek succesvolle doctrine ontwikkeld heeft: het 'solidarisme'.
Volgens Bourgeois is de actuele samenleving een 'wij', dat een collectief
erfgoed aantreft. De samenleving is dáárin 'solidair' dat
'wij' in de schuld staan tegenover voorgaande generaties. Het recht om
dit erfgoed te gebruiken en te genieten hing volgens Bourgeois samen met
de collectieve plicht samen om het goed te beheren, te laten groeien en
aan toekomstige generaties door te geven. Deze visie van Bourgeois wordt
premodern genoemd, voorafgaand aan de moderne vormen van verplichte en
formele solidariteit.
Deze grondtrek van solidariteit resoneert volgens Hoekstra ook in het
bijbelse begrip gerechtigheid (tsedaka). In het licht van dit begrip is
de verdeling van de materiële middelen pas 'recht' te noemen wanneer
niemand in de gemeenschap iets tekort komt. IJkpunten voor deze rechte
verdeling zijn degenen die de meest afhankelijke en daarmee de meest kwetsbare
positie innemen in de gemeenschap: de weduwe, de wees en de vreemdeling.
Komen dezen iets te kort, dan is de gemeenschap en daarmee de gerechtigheid
geschonden. Solidariteit in het licht van dit bijbelse begrip betekent
oog hebben voor de kwaliteit van de samenleving waarin mensen geboren
worden, door gedragen worden, en deel aan hebben.
Op grond van deze twee analyses formuleerde Hoekstra het ijkpunt van het
debat rond solidariteit. "Het ijkpunt is de fundamentele vraag of
de maatschappelijk georganiseerde solidariteit recht doet aan de notie
van wederzijdse afhankelijkheid en of ze volwaardige participatie van
allen aan de samenleving mogelijk maakt of juist belemmert."

Geperverteerde
solidariteit
Joop Roebroek, voorzitter
van landelijk bureau DISK, bracht eigen onderzoek naar solidariteit in
beeld tijdens zijn reactie. Hij maakte een onderscheid tussen formele
verplichte en informele vrijwillige solidariteit en stelde dat de formele
verplichte vorm eigenlijk geperverteerd is. Het doel is niet langer de
participatie van mensen bevorderen of het humane leven mogelijk maken,
maar het (in)ordenen van de samenleving. Niet mogelijk maken, maar beheersen
is het doel, toegespitst rond het inperken van de risico's bij verlies
van inkomen door werk, ziekte of ouderdom. Daarom is de levende informele
vrijwillige solidariteit tussen de generaties zo belangrijk. Daaruit blijkt
het wezenlijke doel. Hij gaf daarvan vele voorbeelden. Hij concludeerde
"dat de staat, de politiek, het beleid, de collectieve arrangementen
voor solidariteit, de aansluiting hebben verloren met de wijze waarop
solidariteit in de samenleving zelf vorm krijgt, en ervaren wordt door
burgers; ook de aansluiting verloren hebben met de manier waarop burgers
zelf solidariteit zouden willen vormgeven."

Onderklasse
of 'precariaat'
De voorzitter van
de werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA, Evelyn Schwarz, leerde de zestig
aanwezigen een nieuw begrip, dat in Duitse studies rond sociale uitsluiting
een rol speelt. "In Duitsland is op dit moment een verwoede discussie
aan de gang of je wel van een 'Unterschicht' of onderklasse mag spreken.
De partijleider van de sociaal-democraten heeft deze term gebezigd en
door velen werd dit mensonterend gevonden. Het lijkt erop dat men het
nu over eens wordt om voortaan de term 'precariaat' te bezigen. Het precariaat,
die groep mensen waarvoor er structureel slechts onzeker, onvoldoende,
slecht, dat is precair werk dus, beschikbaar is. Die groep die met nadruk
geacht wordt te gaan werken ook al is algemeen bekend dat voor hen werk
geen weg uit hun miserie is." De voorzitter van de Arme Kant van
Nederland ging verder in op de beeldvorming rond solidariteit en gaf voorbeelden
hoe juist onder het precariaat of met een oudere term proletariaat heel
verschillende beelden van solidariteit leven. "Solidariteit gaat
niet alleen over solidariteit van de sterken met de zwakkeren, ook over
zwakken onderling over het niet meedoen aan een verdeel en heers beleid,
dat onderscheid wil maken tussen armen met werk en armen met een uitkering."
Evelyn Schwarz noemde het boek ook een luxe product, ontstaan vanwege
de luxe om te kunnen nadenken en vanwege de luxe om de tijd te nemen het
te lezen. "En het boek vervult daarnaast ook nog eens een licht pastorale
taak. Een groep wetenschappers waarvan de meerderheid een dr. voor zijn
naam heeft staan en de rest tenminste een drs. geeft het ons zwart op
wit: ons werk heeft wel degelijk het Nederlandse armoedebeleid beïnvloed.
We mogen eens een keer lezen dat we niet helemaal gek zijn als we keer
op keer erop blijven hameren dat betaald werk niet voor iedereen een haalbare
weg uit het precariaat is. Dat armoede onrecht blijft, dat een spreken
over solidariteit nodig is dat het bestaan van 1 miljoen armen werkelijk
erkent en niet alleen tot een beheersbaar probleem reduceert. Deze luxe
hebben we af en toe hard nodig."

Scheppen
van natuur en lijden als vorm van actie: doe maar
Raf Jansen, secretaris
van de Alliantie voor Sociale Rechtvaardigheid, toonde zich blij met het
boek, maar ook licht teleurgesteld. Het eerste gevoel verwoordde hij zo:
"welkom in de kopgroep van de anti-armoedebeweging. We fietsen nog
steeds wind in. Met een aantal ploegmaten doen we dat al heel lang en
sommigen van ons zelfs al meer dan dertig jaar. Dus heel erg fijn dat
de kopgroep versterkt wordt en neem als het kan ook nog even de kop over,
opdat wij ook eventjes een beetje uit de wind kunnen fietsen". Het
tweede gevoel kwam voort uit de grote belezenheid en ervaring van Raf
Jansen. Hij miste uitdaging, verkennen van nieuwe begrippen, relaties
met de zich ontwikkelende wereldwijde economie, de relatie met de natuur.
Hij wees erop, dat in de ervaring van de Sociale Alliantie de spanning
zit van het balanceren tussen wat is en wat mogelijk is. Hij verwelkomde
vervolgens de nieuwe aanwas bij de kopgroep met een uitdaging. "Twee
mogelijke begrippen waarmee ik onze theologiekompanen zou willen uitdagen,
in een koppositie zou willen uitnodigen, zijn: 'economie als het scheppen
van natuur' en 'lijden als vorm van actie'."

Levendig
debat
Na de vijf inleidingen
ontstond een levendige discussie tussen de aanwezigen en het forum van
inleiders. Er blijkt gehecht te worden aan het handhaven van de formele
verplichte solidariteit, juist omdat voor veel mensen die te maken hebben
met processen van uitsluiting het wegvallen van de netwerken een probleem
is. Andere netwerken, vooral die van kennis, macht en betaald werk, sluiten
zich, waardoor toegangen gaan ontbreken. Een garantie van betaald werk
en daardoor van inkomen komt niet op gang. Daarom is het ook zo belangrijk
om combinaties te maken tussen participatie aan de samenleving door middel
van onbetaald werk, zoals opvoedwerk, zorgwerk en mantelzorg en de garantie
van inkomen. Is het mogelijk om voor groepen die te maken hebben met uitsluiting
andere vormen van participatie en inkomen te bedenken dan de thans gangbare?
Indien ja, dan heb je een grote groep mensen, die ook aanspreekbaar wordt
binnen die samenleving, zonder dat ze het gevoel heeft uitgesloten te
zijn. Vanuit dit gevoel werden pleidooien voor de ook bestaande informele
en vrijwillige solidariteit minder op hun waarde geschat. Allerlei voorstellen
flitsten langs en de voorzitter Hub Crijns had ten slotte moeite om de
levendige discussie af te ronden. Wordt vervolgd zullen we maar zeggen.
Lees in ieder geval het boek. Weliswaar een echt wetenschappelijk en stevig
studieboek, maar dat mag geen hinderpaal zijn om van deze grondige studie
kennis te nemen.
L. Delsen (red),
e.a., 'Solidariteit in de polder? - armoede en armoedebestrijding in Nederland
bezien vanuit de economie en de theologie', Van Gorcum 2006, 250 blz.,
€ 27,50, ISBN 90-232-4168-6.
Ook bestelbaar bij landelijk bureau DISK:
(zie Arbeid en Economie).
Klik
hier om een verslag met de complete inleidingen te downloaden (523
kb).

|
|