SIGNALEMENTEN
|
| Op de 1 mei conferentie 'Waarden en sociale samenhang' in 2003, georganiseerd door Arbeidspastoraat DISK, de Raad van Kerken in Nederland, de werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA, het FNV, het Humanistisch Verbond en Justitia et Pax, stond het begrip solidariteit ook prominent op het programma. De deelnemers aan de workshop 'Solidariteit' gaven er de invulling aan van 'samen sterk opdat je jezelf kunt redden'. Op het eerste gehoor een tegenstrijdige leus, maar bij nader inzien lijken deze woorden toch een aardig getrouwe beschrijving van de solidariteit die we daadwerkelijk (be)leven. |
Er is sprake van een diep besef in de samenleving dat we de ruimte die we voor onszelf als individu wensen, alleen maar kunnen realiseren door elkaar die ruimte ook te geven en te gunnen. Tegelijk lijkt het er op, dat we er niet echt op durven te vertrouwen dat we elkaar die ruimte wel gunnen en willen geven. In dit wantrouwen sluimert een kiem van dreigend onbehagen, die eerder tot individueel lijfsbehoud oproept dan ons een ervaring van solidariteit verschaft. De paradox van de moderne samenleving is evenwel dat het realiseren van individueel lijfsbehoud alleen mogelijk is op grond van het bestaan van diezelfde samenleving. Een tijd lang kunnen we wellicht teren op het sociale kapitaal dat we in de loop der jaren in gemeenschappelijke waarden en normen en instituties hebben opgebouwd, maar zonder onderhoud zal dit sociale kapitaal op den duur verbruikt zijn.
Respect en wederzijdse afhankelijkheid
Iedere samenleving is in haar feitelijke bestaan een uiting van een beleefde en georganiseerde solidariteit, namelijk van de noodzaak en de wil om samen een samenleving te vormen. Zonder die solidariteit is de samenleving slechts een verzameling losse individuen en derhalve geen 'samen'-leving. Wanneer we om ons heen kijken en onder ogen zien hoe we omgaan met het in de loop der jaren opgebouwde sociale kapitaal, lijken we als samenleving toe aan een herwaardering van deze grondbetekenis van het woord solidariteit.
| Het woord solidariteit zelf grijpt wat herkomst betreft terug op een in dit verband veelbetekenende Romeinse term 'in solidum obligare'. Dit betekent zoveel als dat we tegenover een gemeenschappelijke schuld staan. Deze term spreekt het besef uit dat 'we' hier vandaag zijn omdat er een 'wij' - een historische gemeenschap - aan ons voorafgaat. Die gemeenschap is niet een door onszelf verworven bezit, maar een erfenis, een gave ons in de stroom van de tijd overgedragen. Die gave maakt het ons mogelijk om onze individuele aspiraties en ambities te volgen, maar is alleen duurzaam als we die gemeenschap respecteren en onderhouden als de collectieve grond die ons als individuen draagt. |
Deze notie van solidariteit kan onder woorden worden gebracht als een diep besef van wederzijdse afhankelijkheid, een besef dat Richard Sennett ('Respect - in een tijd van sociale ongelijkheid', 2003) in verband brengt met het woord 'respect'. In deze wederzijdse afhankelijkheid gaat het om een ademende verhouding van afhankelijkheid en zelfstandigheid. Autonomie beschrijft hij als een wederkerig proces van autonomie verlenen en autonomie verleend worden, en precies hierin manifesteert zich dat respect. We kunnen zelfstandig zijn, omdat we samen met anderen en met de instituties die met een samenleving gegeven zijn in een complex maatschappelijk weefsel staan, en gezamenlijk dat weefsel vormen. In dat weefsel zijn de anderen altijd ondoorzichtige gelijken, met een eigen achtergrond, geschiedenis en een eigen complex van capaciteiten en vaardigheden. Een ieder heeft zo op grond van een specifieke samenstelling van de genoemde factoren een eigen uitgangspositie voor wat betreft de mogelijkheden en kansen met betrekking tot de deelname aan en participatie in de samenleving. Het maatschappelijk weefsel functioneert voor zover we enerzijds zelf de ruimte krijgen en nemen om ónze unieke rol te spelen, en anderzijds anderen die ruimte krijgen en nemen om hún unieke rol te spelen. Het is een kwestie van onze maatschappelijke rol spelen in een solidaire wisselwerking met anderen, in de wetenschap dat we deel uitmaken van een gemeenschap (hoe abstract dan misschien ook) waarin we wederzijds afhankelijk van elkaar zijn.
| "De
waardigheid houdt het evenwicht tussen een individuele en een collectieve
waarde. De spanning tussen het individu en de sociale omgeving wordt
in deze waarde op een positieve manier opgelost. Individuele waardigheid
laat zich alleen ervaren in het erkend worden door de ander. Waardigheid
is een waarde die het individu alleen in wederkerigheid kan ervaren.
Ook in de workshop waardigheid op de 1 mei conferentie kwam dit duidelijk
naar voren." Everlyn Schwarz, 'Waardigheid is een wederkerige waarde', in 'Ondersteboven', 17(2003)2, pag. 6. |
Alhoewel
solidariteit van oorsprong geen christelijk begrip is, valt er in de christelijke
traditie en in het bijbelse taalveld rond een begrip als gemeenschap duidelijk
affiniteit te bespeuren met een betekenis als hierboven. Zo kent de christelijke
traditie in dit verband de notie van de door God gegeven 'gemeenschap
der heiligen'. Deze notie brengt te binnen dat het 'wij' van de traditie
het heden draagt en mogelijk maakt voor de 'ikken' met het moment van
het 'nu'. Solidariteit heeft hierbij niet het karakter van een hoog ideaal,
maar van een diep besef van een door God gegeven fundamentele verbondenheid
in en afhankelijkheid van een gemeenschap.
Ook in de bijbelse bronnen is solidariteit geen hoog moreel ideaal. De
solidariteit begint in het door God gegevene, letterlijk in datgene waarmee
de aarde aan bestaansmogelijkheden de grond onder onze voeten vormt. Solidariteit
wordt van hieruit geboren in de ontdekking dat individuen datgene wat
zij zich rechtens menen te mogen toe eigenen, slechts hebben, slechts
kúnnen hebben omdat een door God gegeven gemeenschap hen omgeeft
zowel in de ruimte als in de tijd.
De bijbelse notie van gerechtigheid redeneert vanuit dit gemeenschapsbesef.
In het licht van dit begrip is een verdeling van bestaansmogelijkheden
pas 'recht' te noemen, wanneer een optimale participatie in die bestaansmogelijkheden
voor de hele gemeenschap gerealiseerd is. IJkpunten voor deze 'rechte'
verdeling zijn degenen die met betrekking tot deze participatie de meest
kwetsbare positie innemen in de gemeenschap: de weduwe, de wees en de
vreemdeling. Komen dezen iets tekort dan is de gemeenschap en daarmee
de gerechtigheid geschonden.
| "Ineke
Bakker, algemeen secretaris van de Raad van Kerken in Nederland sluit
aan bij de conclusie uit de workshop rond barmhartigheid. 'Om de risico's
van het menselijk bestaan tegemoet te treden is een systeem van rechtvaardigheid
nodig, waar we met zijn allen afspraken over gemaakt hebben en dat
ook gehandhaafd kan worden. In dat systeem is dan barmhartigheid nodig
om de harde kanten van die rechtvaardigheid te corrigeren. Algemeen
recht kan koud en harteloos worden, kijk maar naar het aangescherpte
asielrecht. Barmhartigheid en de inzet van mensen verzacht die hardheid.
Andersom is barmhartigheid de actieve aanjager om het werken aan rechtvaardige
structuren en instituties op te roepen.'" Hub Crijns, 'Waarden en sociale samenhang', in: 'Ondersteboven', 17(2003)2, pag. 3-4. |
Onze
samenleving lijdt aan respectloosheid. Dat is tenminste de ervaring van
mensen in uitkeringssituaties en in tal van arbeidssituaties met name
aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het jaar 2003 kende grote omwentelingen
in de sociale zekerheid: mensen moeten via de Wet Werk en Bijstand uit
de uitkering het betaalde werk in. Tegelijkertijd was het een jaar waarin
het ontslagen regende. Met andere woorden: betaald werk wordt verklaard
tot respectabele deelname aan de maatschappij, maar tegelijk lijkt respectabel
werk meer en meer te ontbreken. In één beweging door lijkt
ook de solidariteit in de samenleving af te nemen om deze mensen een respectabel
perspectief te bieden. De georganiseerde collectieve solidariteit van
het sociale zekerheidsstelsel lijken we sluipenderwijs in te ruilen voor
een bijverzekeren naar individuele behoefte en vooral draagkracht.
Met het oog op deze tendens hebben we in 2003 met het materiaal voor de
bid- en dankdag voor gewas én arbeid en de zondag van de Arbeid
een signaal af willen geven. Het thema 'Sociaal Zeker?, Zeker Sociaal!'
onderstreept dat het van belang is om 'samen sterk te zijn' opdat een
ieder zich in waardigheid kan blijven redden. Dat wil zeggen dat het 'jezelf
kunnen redden' blijft gelden voor iedereen en niet alleen voor de sociaal
en maatschappelijk sterken en kansrijken. Het begrip solidariteit krijgt
hierbij de betekenis van kanssolidariteit. Een solidariteit in de mogelijkheden
en kansen tot participatie die we enerzijds vanuit onze persoonlijke uitgangspositie
hebben en die anderzijds de samenleving als gezamenlijk speelveld biedt.
Principieel gaat het bij kanssolidariteit om het voorkomen van situaties
van sociale onzekerheid door het bieden van werkelijke participatiemogelijkheden
in de samenleving.
| Dat sluit in feite ook aan op de klacht van de Alliantie voor Sociale Rechtvaardigheid, waarin we als landelijk bureau DISK via de werkgroep de Arme Kant van Nederland/Economie, Vrouwen en Armoede (AKN/EVA) participeren. De Alliantie wijst erop dat in een neoliberaal klimaat wel geroepen wordt dat betaald werk de uitweg uit armoede is naar volwaardige maatschappelijke participatie, maar dat ondertussen het beschikbare betaalde werk die uitweg en volwaardige participatie niet daadwerkelijk biedt. Het gevaar is aanwezig, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt, dat mensen uit uitkeringen in banen (als die er al zijn) gejaagd worden waar ze hun zelfrespect, hun respect voor de samenleving dreigen te verliezen, en daarmee hun gevoel van verbondenheid met een samenleving die hen hun zelfrespect ontneemt. |
Solidariteit in de onderhandelingssamenleving
In
onze betrokkenheid bij een thema als Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
(MVO) komen we solidariteit op een ander institutioneel niveau tegen.
MVO kan geschetst worden als het fenomeen waarbij door een toenemend aantal
ondernemingen het nastreven van economische waarden wordt verbonden met
het realiseren van sociale en milieu waarden.
Volgens Rob van Tulder en Alex van der Zwart ('Reputaties op het spel
- Maatschappelijk verantwoord ondernemen in een onderhandelingssamenleving')
moeten we MVO begrijpen als een fenomeen van de 'onderhandelingssamenleving'.
De maatschappij wordt door hen voorgesteld als een driehoek, waarbij op
elk van de drie hoeken een hoofdinstitutie een plaats krijgt toegewezen:
overheid, markt en civil society. In deze driehoek zorgt de overheid met
wetgeving voor het juridische kader. De marktsector zorgt voor waardecreatie
en welvaart. En de civil society staat voor het geheel van maatschappelijke
verbanden van burgers, die buiten de politiek en het bedrijfsleven de
maatschappij vorm geven.
| Deze driehoek kan ook worden belicht vanuit het zogenaamde Triple-P-principe van profit, people en planet. Bij dit principe gaat het om de onderlinge samenhang van drie afzonderlijke verantwoordelijkheden. Profit staat hierbij voor de verantwoordelijkheid voor de winst, voor het rendabel draaien van een onderneming of een instelling. Planet staat vervolgens voor de verantwoordelijkheid voor de collectieve goederen, waaronder het milieu. Tenslotte staat people voor de verantwoordelijkheid voor de sociale dimensie. |
Deze drie verantwoordelijkheden
kunnen ieder op zich als primaire verantwoordelijkheid in de hoeken van
de driehoek samenleving neergelegd worden. Zo is het bedrijfsleven primair
verantwoordelijk voor het genereren van winst en welvaart (profit). De
overheid zorgt voor de collectieve en publieke goederen (planet). De civil
society tenslotte is verantwoordelijk voor de sociale en morele cohesie
van de samenleving (people).
Evenwel: in de samenhang van de drie p's gaat het om een gedeelde verantwoordelijkheid.
MVO houdt in dat bijvoorbeeld ondernemingen niet alleen worden aangesproken
op hun primaire verantwoordelijkheid (alleen voor profit), maar ook op
hun verantwoordelijkheid voor het geheel (dat wil zeggen voor de samenhang
van planet, profit en people). Hetzelfde kan ook gezegd worden van de
andere twee spelers, de overheid en de civil society. Sterker nog, MVO
gedijt vooral in een context waarin alle drie de spelers hun verantwoordelijkheid
nemen. Bij deze verantwoordelijkheid gaat het om een besef van en inzicht
in de wederzijdse afhankelijkheid van de instituties voor wat betreft
het op zo'n wijze gestalte geven aan de samenleving dat alle waarden tot
hun recht komen.
MVO
gedijt vooral in een sfeer van institutionele solidariteit. Deze heeft
thans in onze samenleving een specifiek karakter, dat misschien het beste
geïllustreerd kan worden aan de hand van de status van wetgeving
in relatie tot MVO.
In het debat in Nederland rond MVO en wetgeving is er mede dankzij het
advies van de Sociaal-Economische Raad ('De winst van waarden', december
2000) een zekere consensus gegroeid. Zo wordt wetgeving slecht in staat
geacht om het moreel grijze gebied van MVO in eenduidige richtlijnen te
verwoorden. Maatschappelijke verantwoordelijkheid verschilt per onderneming,
afhankelijk van de branche, omvang, industrie, strategie, locatie, interne
cultuur en waarden van het management. Daardoor zou een eenduidig verplicht
beleid ten aanzien van MVO moeilijk vorm te geven zijn. Bovendien vreest
men bij wetgeving dat bedrijven zich gaan richten op het voldoen aan minimumeisen
en daarmee niet meer vernieuwend maar conformerend beleid ontwikkelen.
Meer ziet men in een faciliterende en stimulerende rol van de overheid,
waarbij pro-actief ondernemingsbeleid aangemoedigd wordt. Bij dit laatste
gaat men er vanuit dat ondernemingen zich realiseren dat er op het gebied
van MVO iets op het spel staat, namelijk hun reputatie, en dat ze er daarom
geen belang bij hebben om ergens een conflict te laten ontstaan dat hun
reputatie zou kunnen schaden.
Dit vertrouwen op de eigen ontwikkelingskracht van MVO, gebaseerd op de
reputatie voor ondernemingen, vooronderstelt evenwel een specifieke maatschappelijke
constellatie. In onze maatschappij kan de overheid het zich permitteren
om als tegenspeler van de markt op de achtergrond te blijven, omdat andere
tegenspelers meer op de voorgrond treden. Onder invloed van een groot
aantal verschillende non-gouvernementele organisaties (NGO's) is de civil
society in de loop van de jaren '90 een forse tegenspeler van de markt
geworden.
| De veelheid in getal en diversiteit in expertise van de NGO's toont behalve hun kracht ook hun zwakte. De samenleving (civil society) dreigt - doordat ze wordt gemobiliseerd door NGO's die gericht zijn op bijvoorbeeld het milieu óf mensenrechten óf een aspect van de ontwikkelingsproblematiek - te gaan lijden aan fragmentatie. Een initiatief dat deze dreigende fragmentatie aan de wortel probeert tegen te gaan is het MVO Platform, waar wij sinds voorjaar 2002 ook deel van uitmaken. Dit initiatief, genomen door SOMO (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen), gaat in op de vraag welke gezamenlijke insteek van NGO's ten aanzien van MVO mogelijk is. Het is vooral een poging tot enige coördinatie. In deze lijn is door het MVO Platform het MVO Referentiekader opgesteld, waarin internationaal breed onderschreven verdragen, richtlijnen en instrumenten ten aanzien van MVO geïnventariseerd zijn. Het referentiekader sluit weliswaar aan bij de visie dat MVO niet met wetgeving kan worden afgedwongen, maar laat het daar niet bij. Het wil met het referentiekader bevorderen dat er een speelveld ten aanzien van MVO ontstaat, waarop ondernemingen ondersteund en uitgedaagd worden om hun verantwoordelijkheid te nemen. Dit referentiekader is ook ondertekend door DISK en in februari gepresenteerd op een conferentie van het MVO Platform in de Rode Hoed te Amsterdam. |
MVO: een solidaire worsteling?
Solidariteit
in het kader van MVO heeft vooral het karakter van een worsteling in een
krachtenveld. Er is weliswaar sprake van een wederzijdse afhankelijkheid
van de diverse spelers van elkaar, maar daarbij of daarin wordt tegelijk
vanuit ieders belang een strijd gevoerd over de verdere invulling van
MVO en daarmee over de vormgeving van het geheel van de samenleving. Het
liefst wil iedereen er bij winnen en niet verliezen. In dit verband is
de burger in zijn of haar rol als consument veelal een navrant voorbeeld.
Zo pleit de burger bij de ingang van de supermarkt graag voor de productie
en consumptie van duurzame producten, maar kan bij de kassa vaak maar
moeilijk de verleiding weerstaan om toch maar voor vooral goedkope en
derhalve minder duurzame producten te kiezen. Het individuele financiële
belang heeft dan de overhand op het belang van het geheel van de samenleving.
Natuurlijk speelt ook de koopkracht van de individuele burger daarbij
een rol en verdient een eigen afweging.
Vanuit de positie van iedere speler in het kader van MVO is een afweging
mogelijk op het punt van waarden (economische, sociale en milieuwaarden)
en belangen (persoonlijke, maatschappelijke, korte termijn en lange termijn
belangen). Het rekenschap af willen leggen van die afweging is misschien
op het moment het meest solidaire wat de diverse spelers ten opzichte
van elkaar kunnen proberen te doen. Daarmee tonen ze respect voor de wederzijdse
afhankelijkheid van elkaar. Dat laatste betekent ook respect voor het
ingrijpen op elkaars waarden en belangen. Dat respect sluit strijd niet
uit, maar juist in als de solidaire worsteling met betrekking tot de vraag
welk ingrijpen van wie in welke mate op welke waarde en welk belang wenselijk,
toelaatbaar en redelijk is.
|
Dankdag en prijzenslag 'Niet
voor schuren die niet duren' moeten de supermarkten gedacht hebben
toen ze de prijzenslag begonnen. Zo leek je als consument op dankdag
in ieder geval een goede oogst binnen te hebben: de keukenkast vol
met goedkope producten. Als consumenten konden we daarom wellicht
menen op dankdag gezang 350 uit het Liedboek voor de Kerken uit
volle borst mee te kunnen zingen. In dat gezang vindt u namelijk
deze aanhef "niet voor schuren die niet duren" aan het
begin van het tweede couplet. |
De
deelname aan het MVO Platform heeft ons aan het denken gezet over de rol
van de kerk in de samenleving als van een NGO naast andere NGO's. Wat
zou een zinnige en geloofwaardige betrokkenheid van lokale kerken bij
MVO kunnen zijn? Bij deze vraag gaat het vooral om de solidariteit van
de kerk met de andere spelers op het terrein van MVO in de zoektocht naar
een meer duurzame samenleving. Op dat punt heeft de lokale kerkgemeenschap
niet alleen vanuit haar inhoud, bronnen en traditie iets te bieden, maar
ook als de maatschappelijke vrijplaats die zij vormt.
De lokale kerkgemeenschap heeft nog steeds het karakter van een plek,
waar mensen vanuit verschillende maatschappelijke posities en met verschillende
rollen en verantwoordelijkheden elkaar kunnen ontmoeten, uitdagen, troosten
en inspireren. Deze lokale kerkgemeenschap is via haar leden ook verbonden
met tal van organisaties, instellingen en ondernemingen die in haar directe
omgeving een rol spelen. Die eigenheid en kwaliteit moeten we zien te
benutten voor de rol van de kerkgemeenschap in de lokale samenleving.
Daarbij gaat het er ook om een gespreks- en mogelijke samenwerkingspartner
te zijn voor de diverse lokale en regionale organisaties. Denk hierbij
bijvoorbeeld aan afdelingen van werknemers- en werkgeversorganisaties,
of mensen die actief zijn in het onderwijs of de zorg. In agrarische omgevingen
kan daarbij ook gedacht worden aan lokale afdelingen van de Land en Tuinbouw
Organisatie. Voortbordurend op deze lijn is het denkbaar dat de lokale
of regionale kerkgemeenschap in de toekomst als NGO zelf een rol zal spelen
in een lokaal of regionaal samenwerkingsverband van NGO's, zoals we dat
nu op landelijk niveau kennen.
Respect als sleutel tot solidariteit
Het blijven stellen van vragen bij iedere politieke vormgeving van de solidariteit, of het nu de sociale zekerheid of MVO betreft, lijkt momenteel de belangrijkste opdracht voor de kerken. Het stellen van deze vragen heeft in de christelijke traditie te maken met de basale notie dat God mensen elkaar en de schepping gegeven heeft om van te leven en zorg voor te dragen. Deze gave wekt enerzijds dankbaarheid voor datgene wat zich aan solidariteit aandient in de samenleving en doet anderzijds verlangen naar het Koninkrijk van God waarin die gave volledig geopenbaard en geleefd zal worden. Het ijkpunt voor de vragen die kerken hebben te stellen is dus niet een of andere bijbelse of kerkelijke blauwdruk voor de solidaire samenleving, maar veeleer de fundamentele vraag of de maatschappelijk georganiseerde solidariteit recht doet aan de notie van wederzijdse afhankelijkheid en of ze volwaardige participatie van allen aan de samenleving mogelijk maakt of deze juist belemmert. Deze fundamentele vraag sluit enerzijds aan bij de solidariteit die in lotsverbondenheid in de samenleving altijd op zijn minst al latent aanwezig is. In die zin wil vanuit de christelijke traditie ook steeds de poging gedaan worden om aan te sluiten bij wat in de samenleving gegeven is. Anderzijds wil vanuit de christelijke traditie de poging ondernomen worden om deze lotsverbondenheid op een bewust en daarmee politiek niveau te tillen. Respect dient zich in deze politieke vormgeving aan als het moment waarop de autonomie van de andere persoon of institutie onderkend wordt als van wezenlijk belang voor onze eigen autonomie. Die onderkenning impliceert oog voor de zelfstandigheid en de afhankelijkheid van de ander in relatie tot onze eigen zelfstandigheid en afhankelijkheid. Op deze wijze ontvouwt de solidariteit in de samenleving zich als een web van wederkerigheid. Het respectvol onderkennen en honoreren van deze wederkerigheid ontsluit de samenleving pas als een solidair maatschappelijk verband.