|
PROJECTEN
HANDBOEK
ARBEID, ZIN EN GELOOF
Voorwoord
Joop Roebroek
Arbeidspastoraat
DISK maakt, sinds het ontstaan van deze werksoort tijdens en na de periode
van de Tweede Wereldoorlog in de vorige eeuw, verbindingen tussen samenleving,
werk en kerk. Toen en ook nu stelden kerkleiders zich de vraag hoe de
plaats en betekenis van de moderne arbeid van invloed zijn op mensen en
de manieren waarop zij geloven. Het is daarom als vanzelfsprekend dat
landelijk bureau DISK met een handboek komt waarin deze verbindingen gemaakt
en onderzocht worden.
Zou er, vanuit een historisch perspectief bezien, één maatschappelijk
thema te vinden zijn dat de gemoederen meer bezig houdt dan het vraagstuk
van de arbeid? De geschiedenis van de moderne industriële samenleving
vormt tevens een aaneenschakeling van vertogen over de plaats van de arbeid.
Het meest interessante aspect van deze discussie betreft voor alles de
vraag in hoeverre de mens een plicht tot arbeid kent. Nog even los van
de eveneens belangrijke kwestie of die arbeid wel of niet betaald is.
Vanuit een meer beschouwelijke positie kan de stelling worden geformuleerd
dat de manier waarop wordt aangekeken tegen arbeid, en in het verlengde
daarvan hoe de arbeid binnen de samenleving is georganiseerd, centrale
keuzes inzake maatschappelijke ordening weerspiegelen. Deze vaststelling
rust niet op hedendaagse debatten of organisatievormen van de arbeid.
Dit inzicht gaat feitelijk al terug tot de klassieke ontwerpen voor een
samenleving waarin elk mens datgene krijgt wat hij of zij nodig heeft
om van te kunnen leven: Utopia van Thomas Moore (1517), Christianapolis
van Johannes Andreae (1619), La Città del Sole van Thomas Campanella
(1623) en New Atlantis van Francis Bacon (1638). In deze eerste schetsen
voor een rechtvaardige verdeling van arbeid en de vruchten van die arbeid,
wordt de plicht tot werken gekoppeld aan de notie van de 'maatschappelijk
noodzakelijke arbeidstijd'. De mens werkt zo lang totdat hij of zij een
equivalent heeft geproduceerd van datgene dat nodig is om van te kunnen
leven. Daarbuiten is natuurlijk elk mens vrij om meer te doen, zonder
op basis daarvan evenwel zondermeer een hogere aanspraak te kunnen maken
op de vruchten van de arbeid.
Natuurlijk kennen de zestiende en zeventiende eeuw tegenover deze 'zondagsschilders'
ook andere stellingnames. Humanisten als Juan Vives, Desiderius Erasmus
en Dirck Volckertszoon Coornhert prijzen werk aan als het beste middel
tegen armoede en sociale nood. Zij gaan uit van de stelling dat werklozen
en paupers in eerste instantie zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun
lot. Als iedereen maar werk verricht, neemt de productie toe en stijgt
de welvaart. Wie niet werkt, wil kennelijk niet. Werklozen en paupers
moeten om eigen bestwil en tot voordeel van de samenleving tot arbeid
worden aangezet. De religieuze hervormers Luther. Zwingli en Calvijn laten
zich evenmin onbetuigd. Ieder mens is door God geroepen tot arbeid. Geloof
kan slechts worden gerealiseerd per vocationem, door arbeid. De arbeid
vormt het middel om God eer te bewijzen. Uitgaande van de centrale plaats
voor de arbeid hanteren zij als centrale principes een verbod op bedelarij,
arbeidsplicht en minimale ondersteuning van armen, juist genoeg om van
te leven.
Het meest beeldend worden deze opvattingen tegen het einde van de zestiende
eeuw verwoordt door Dirck Volkertszoon Coornhert in zijn geschrift Boeventucht
ofte Middelen tot mindering der schadelyke ledighghangers. In dit geschrift,
geschreven in 1567 en pas in 1587 gepubliceerd, keert Coornhert zich tegen
het bestaande systeem van bestraffing. Naar zijn oordeel ontberen lijfstraffen
elke vorm van effectiviteit. Zij lossen de onderliggende sociale problemen
niet op en leiden alleen maar tot toenemende criminaliteit. Nietsnuttende
armen dienen door middel van vrijheidsberoving en gedwongen arbeid tot
'nuttige leden van de samenleving' te worden opgevoed. De ideeën
van Coornhert vinden onder meer toepassing in Amsterdam. Daar wordt in
1589 een tuchthuis voor mannen, het Rasphuys, opgericht en in 1596 wordt
dat initiatief gevolgd door een instelling voor vrouwen, het Spinhuys.
Alle thema's voor een maatschappelijk discours over de plaats van de arbeid
in de samenleving, alsmede de contouren van de maatschappelijke ordening
die daarachter schuilgaat, zijn tegen het einde van de zestiende eeuw
feitelijk al gegeven. Daar zijn enkele eeuwen van 'beschaving' overheen
gegaan. Een tijd waarin de 'arbeid' wordt opgenomen in een bredere context
van de emancipatiebewegingen van arbeiders, van vrouwen, ook meer specifiek
van de katholieke en protestants-christelijke bewegingen, in de opkomst
van de collectieve arrangementen ingeval van werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid
en ouderdom, en uiteindelijk in de 'moderne' verzorgingstaat met zijn
gezondheidszorg, onderwijs, woningbouw en maatschappelijk werk. De Nederlandse
verzorgingsstaat is voor alles met veel werk opgebouwd mede vanuit het
geloof, zowel door katholieken als christenen (Roebroek en Hertogh, 1998).
Lange tijd is werk hoofdzakelijk werk om je noodzakelijke inkomen te verdienen,
om te overleven.
Vanaf de jaren zestig ontstaat in die lange traditie van geloven, overleven,
werken en zorgen voor het eerst ruimte voor 'ontspanning'. In de jaren
zeventig keren zelfs de beelden van de klassieke utopieën terug.
'Arbeid' voegt zich in de bredere stroming van geloof, ontplooiing, spiritualiteit,
zinvol zijn, ziel en zaligheid. Nieuwe toekomstbeelden duiken op en een
gevoel van optimisme maakt zich meester van de West-Europese samenleving.
Sommigen, zoals de Franse filosoof André Gorz in zijn Les Chemins
du Paradis (1983), schetsen nieuwe wegen naar het beloofde land. Arbeid
wordt niet langer als een 'knechtende bezigheid' omschreven, maar als
het voorportaal naar een samenleving waar in plaats van een verkrampte
oriëntatie op productie en consumptie meer en meer plaats is voor
bezinning, voor 'samen', voor compassie en solidariteit. Deze visies schetsen
een deel van de werkelijkheid. Ze bevatten mogelijke aangrijpingspunten
om vanuit geloof, bezinning en verbeelding oorspronkelijke organisatieprincipes
en -vormen te ontwikkelen voor een samenleving, waarin burgers op basis
van een nieuwe balans tussen eigen verantwoordelijkheid en maatschappelijke
bescherming hun deelname aan de samenleving op een meer eigen en vrije
manier vorm kunnen geven.
Het heeft niet zo mogen zijn. De 'arbeidssamenleving' is er, ondanks het
gegeven dat alle economische voorwaarden in de vorm van maatschappelijke
rijkdom voor handen zijn, niet in geslaagd haar emancipatieproces te voltooien.
Integendeel, vanaf het ineenstorten van de Oost-Europese regimes, de versterking
van de globalisering, het opkomen van nieuwe vijandbeelden en zelfs onvervalste
oorlogsvoering heeft verdere emancipatie plaatsgemaakt voor verkramping.
De politieke en sociale grondstructuur van de samenleving aan het begin
van de eenentwintigste eeuw kenmerkt zich door toenemende disciplinering
en dwang. Burgers zijn weer terug op hun positie als gezichtsloze objecten
van sociale politiek die louter worden aangesproken op hun individuele
situaties, op hun individuele lotgevallen en langs die weg op hun eigen
verantwoordelijkheid. Deelname aan de samenleving wordt weer verengd tot
'betaald werken'. Zorgen, ondersteunen, dichten en dromen worden gedegradeerd
tot tweederangs activiteiten zonder recht op volwaardig burgerschap. Hedendaagse
sociale politiek keert voor een belangrijk deel terug naar zijn oorspronkelijke
roots, tot diep in de middeleeuwen. Ditmaal niet met de uitdaging dat
verleden middels emancipatie achter zich te laten, maar met een verkrampte
beweging in de richting van een samenleving waarbinnen burgers in een
bijna permanente staat van beleg gevangen dreigen te raken.
Het is tegen deze achtergrond dat een bezinning op de relatie tussen arbeid,
zin en geloof van grote betekenis is. Meer dan ooit is geboden te voorkomen
dat de idealen en de waarden die opgesloten lagen in de grote emancipatiebewegingen,
van katholieken, van protestanten, van mannen en vrouwen, van werkende
burgers, tussen de raderen komen van het gebrek aan verbeelding en de
onmacht van de hedendaagse dirigeants politiques.
Ik ben daarom blij dat een project van landelijk bureau DISK met dit Handboek
Kerk en Arbeid succesvol kan worden afgesloten. Het boek draagt doelbewust
een verkennend karakter rond de betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid,
van zin en geloven in onze samenleving en naar de onderlinge relaties.
Tegelijk biedt het handboek veel creatieve werkvormen, waarmee groepen
in de kerken, maar ook daarbuiten, aan het werk kunnen. Als voorzitter
van landelijk bureau DISK beveel ik het boek van harte aan, ter lezing
en voor actief gebruik. Ik vertrouw er op dat het in de bibliotheek van
parochies en gemeenten een blijvertje zal zijn.
Literatuur
T. Moore, Utopia,
1517.
J. Andreae, Christianapolis, 1619.
T. Campanella, La Città del Sole, 1623.
F. Bacon, New Atlantis, 1638.
D. Volkertszoon Coornhert, Boeventucht ofte Middelen tot mindering der
schadelyke ledighghangers, geschreven in 1567 en in 1587 gepubliceerd.
A. Gorz, Les Chemins du Paradis, Galilée 1983.
J.M. Roebroek en M. Hertogh, 'De beschavende invloed des tijds'. Twee
eeuwen sociale politiek, verzorgingsstaat en sociale zekerheid in Nederland,
Den Haag 1998.

Terug
naar openingspagina handboek arbeid, zin en geloof
|
|