BEVRIJDE TIJD
|
|
Vrije tijd was in het begin van de eeuw een voorrecht van de elite. Voor Jan-met-de-pet waren zestigurige werkweken en geen enkele vakantiedag heel gewoon. De Arbeidswet van 1919 bood pas enige verlichting: een 45-urige werkweek, de achturendag, de vrije zaterdagmiddag en de vrije zondag werden gegarandeerd. Toch werkten de Nederlandse arbeiders tussen 1920 en 1960 gemiddeld het langst van alle geïndustrialiseerde landen. In veertig jaar liep het aantal uren dat ze jaarlijks werkten nauwelijks terug van 2500 in 1920 tot 2330 in 1960. Een vrije tijdswinst van gemiddeld 2,5 uur. Ook de huishoudelijke taken namen in die tijd dagelijks nog vele uren in beslag. De invoering van allerlei huishoudelijke apparaten verliep langzaam. De echte doorbraak kwam pas na 1960: de vrije tijd nam gestaag toe en er ontstond een omvangrijke vrijetijdsindustrie. Uit het SCP onderzoek Naar andere tijden? blijkt echter dat de tijd die mensen besteden aan zogeheten verplichte activiteiten (betaald werk, studie en huishoudelijk werk, inclusief kinderverzorging) sinds 1975 weer gestaag is toegenomen. Onder de bevolking van 18 tot 65 jaar namen die taken in 1995 gemiddeld 2,5 uur per week meer in beslag dan in 1975. In die periode verminderde hun vrije tijd met bijna twee uur en bezuinigden zij ruim een half uur op slapen, maaltijden en persoonlijke verzorging. De toegenomen drukte is echter niet gelijk over de bevolking verdeeld. In 1995 zijn de werkende man en vrouw het drukst. Zij besteden resp. 54,2 en 53,4 uur per week aan verplichte bezigheden. Met name onder de hoogopgeleiden in de leeftijd van 35 tot 50 jaar. Zeker wanneer beide partners betaald werk hebben, is de hoeveelheid vrije tijd beperkt. Of zij wel of geen kinderen hebben maakt daarbij weinig uit. Daarentegen hebben werkzoekenden en arbeidsongeschikten (23,9uur), 65+ vrouwen (28,4 uur) en 65+ mannen (20,1 uur) gemiddeld weinig verplichtingen. (Voor meer informatie: www.scp.nl) De beschikbare hoeveelheid vrije tijd mag dan in honderd jaar met ongeveer 25 uur zijn toegenomen. Toch zijn er nog steeds weinig met mensen een overschot aan tijd. Het grote verschil met een eeuw geleden is echter dat de mensen met veel tijd van boven naar beneden zijn getuimeld in maatschappelijk aanzien. Waren het vroeger de vertegenwoordigers van de betere en rijke standen die over zeeën van tijd beschikten, nu zijn het de werklozen en uitkeringsgerechtigden die buitengesloten zijn van koortsachtig bezig zijn. |
Pas in de late Middeleeuwen ontstond een positieve waardering van de arbeid. Voor die tijd werd arbeid gezien als last en als zodanig ondergeschikt aan vita contemplativa, het beschouwende leven. Ter wille van het levensonderhoud moest er lichamelijke arbeid verricht worden, maar deze lag op de schouders van de horige, de boer en ambachtsman. De renaissance en de reformatie brengen de arbeid over de drempel van een nieuwe, moderne tijd. Arbeid wordt roeping en krijgt een waarde in zich. Met zijn arbeid verheerlijkte de mens God: arbeid werd een gewijde bezigheid. Slechts de werkende mens is de echte mens. Nietsdoen en zich vervelen gingen gelden als zonden.
Langzaamaan stierven de religieuze wortels van dit arbeidsethos echter af en ging het een eigen leven leiden. Van mannen, van ongehuwde en nog niet gehuwde vrouwen werd verwacht, dat zij arbeid verrichten, en wel loonvormende arbeid. Voor vrouwen met gezinsverantwoordelijkheid stond (niet loonvormende) arbeid binnen het huishouden centraal. Van haar werd verwacht dat zij deze arbeid uit liefde voor man en kinderen verrichten. Vanaf de industrialisatie (scheiding woon- en werkplaats) werden vrouwen steeds meer gezien als alleen maar huisvrouw. De meeste leden van de samenleving namen deze morele verplichtingen vrijwillig op zich. (Niet alle leden: er was ook verzet!)
Dit
arbeidsethos wordt nog steeds door velen gedeeld. Haar motivatie is
echter niet alleen gewijzigd, maar ook verzwakt. De voortgaande verkorting
van de werkweek en langdurige schaarste op de arbeidsmarkt hebben ertoe
geleid dat bezigheden op andere levensterreinen (recreatie, zorg) meer
betekenis kregen. Steeds minder mensen zien betaalde arbeid als centraal
onderdeel van hun leven en niet-arbeid als ondergeschikt daaraan. Uit
internationaal vergelijkend onderzoek blijkt ook dat de morele verplichting
tot arbeid bij Nederlanders het minst leeft. Werk moet voor ons vooral
interessant zijn, mogelijkheden bieden tot ontplooiing en vooral ook
goede sociale contacten bieden. Omgekeerd hechten wij weinig waarde
aan de klassieke functies van arbeid als middel tot inkomen of als verlener
van status en prestige.
Arbeid vervult echter nog steeds een centrale functie in onze samenleving. Het hebben van een baan is voorwaarde geworden tot participatie aan de samenleving. Wie zelf geen inkomen uit arbeid verdient heeft minder kansen op een goed leven. Mede om die reden hebben steeds meer vrouwen een betaalde baan. Zij ontlenen hun sociale identiteit nu niet meer aan hun man, maar aan hun werk. Daarnaast is er een periode van arbeidskrapte aangebroken. Het valt dan ook te betwijfelen, of het aloude arbeidsethos zal verdwijnen.
|
Esther van der Panne, stafmedewerkster van het landelijk bureau DISK, schreef de toerustingsbrochure 'Ík ren dus ik ben' over tijd, arbeid en relaties in een 24-uurseconomie. Ze laat ons nadenken over de verschillende invloeden die wij in ons leven ondergaan als gevolg van de 24-uurseconomie. Ze bepaalt ons bij onze individuele keuzemogelijkheden. De brochure bevat gespreksvragen en andere verwerkingsmogelijkheden.
Magazine Bevrijde Tijd nr 3, februari
2001, pag. 3-4. |
Verwerkingssuggesties
Het goede leven: hoe ziet
het eruit?
Een deel van onze tijd gaat op aan noodzakelijke activiteiten zoals slapen en eten. Een ander deel besteden we aan verplichte bezigheden zoals huishoudelijk en betaald werk. En dan blijft er hopelijk nog een deel over voor eigen activiteiten zoals vrijwilligerswerk en recreatie. De wijze waarop wij onze uren invullen verschilt aanmerkelijk. Zijn wij tevreden? Of staat ons een andere invulling voor ogen?
Enkele suggesties voor groepswerk: