|
PROJECTEN
BEROEP
EN BEZIELING
"De
kracht van beeld. Daar ligt een enorme bezieling van mij"
Interview:
Daan Vogelpoel
Redactie: Esther van der Panne
Jacqueline Hoogeveen
werd al vroeg in haar werkzame leven gegrepen door de mogelijkheden van
video. Ze experimenteerde daarmee in het onderwijs, in de lokale omroep,
in de strijd van buurtbewoners voor een leefbare buurt en in de kunst.
Een gesprek met een keiharde werker die, nu haar werkzame leven ten einde
is, geniet van de stilte.
In wat voor gezin
ben je opgegroeid?
"Ik ben de oudste
van vijf kinderen en de oudste van een tweeling. Twee jaar later kwam
een broer, twee jaar daarna een zus en tien jaar later nog een broertje,
een nakomertje.
Het was een getekend gezin, laat ik het zo zeggen. En een gezin waar hard
gewerkt werd.
Wij waren vijf jaar toen mijn moeder ernstig ziek werd en invalide. Ze
had een zwakte in de hersenvaten, waardoor ze alsmaar hersenbloedingen
kreeg. Daardoor kon zij vanaf haar 45e tot haar dood, 25 jaar later, niet
meer praten. Dat bepaalde ontzettend veel.
Mijn vader werkte enorm hard en probeerde vader en moeder tegelijk te
zijn, maar dat lukte natuurlijk toch niet. Hij had hulp van een huishoudster,
er was altijd wel iemand in huis. Mijn vader had een eigen zaak, waar
hij toch ook het voortouw moest nemen.
Praktische dingen kwamen bij ieder van de kinderen terecht, maar ik voelde
de verantwoordelijkheid heel sterk. Vanaf mijn tiende voelde ik me al
moeder. Ik was ook de praatpaal van mijn vader; ik ging met hem op jacht
en luisterde veel naar hem."
Wat voor bedrijf
had je vader?
"Een
tricotagefabriek, met een weverij, snijderij en naaierij. Dat ging dus
van garen tot aan kledingstukken: ondergoed, maar ook bovengoed. De pyjama's
en de T-shirts heeft hij eigenlijk mee uitgevonden."
In hoeverre heeft
het werk van je vader invloed gehad op jou?
"Dat
gedrevene en dat harde werken van hem zit ook in mijn karakter. En hij
had oog voor de mensen in het bedrijf en voor teamwork. Dat heb ik ook
wel. Hij stond altijd klaar, midden in de nacht als het moest; als er
wat met de machines was, gingen ze er met zijn allen aan werken.
Hij had vrienden en kennissen bij de eenvoudigste boeren tot aan multimiljonairs.
Hij bewoog zich door alle lagen van het maatschappelijke palet. Dat heb
ik ook en dat doe ik heel graag. Hij was toch een beetje een einzelgänger;
hij vond het mooi om overal heen te gaan en op zíjn tijd te komen
en te gaan. Dat vind ik ook mooi."
Mijn vader vond het voor vrouwen heel belangrijk dat ze zelfstandig konden
zijn: een beroep uitoefenen, maar ook financieel onafhankelijk zijn. Dat
heeft hij ons duidelijk mee willen geven en dat is bij mij in goede aarde
gevallen.
Je ging naar het
gymnasium en daarna naar de universiteit. Was het gewoon bij jullie thuis
dat jullie gingen studeren?
"Nee.
Mijn vader had zelf graag gestudeerd, maar dat was niet mogelijk in zijn
gezinsverband.
Ik zat op een eenvoudige lagere school. Op mijn elfde verhuisden we naar
een chique buurt met een school waar alle kinderen naar het lyceum gingen.
Mijn vader had daar op aangestuurd. En toen ging ik ook gelijk naar het
gymnasium. Ik kon heel goed leren en dat vond ik ook leuk, dus ik wilde
studeren.
Ik wilde psychologie, maar dat vond mijn vader maar niks. Hij dacht: dan
wordt ze ook gek. Dat was nog de opvatting over de menswetenschappen in
die jaren. Maar pedagogiek mocht wel en daar ben ik mee begonnen. Later
heb ik me gespecialiseerd in de andragogiek [vorming van volwassenen,
red.]."
Hoe beviel dat?
"Buitengewoon.
Ik kreeg daar goede dingen mee, waar ik later veel aan gehad heb. Zoals:
Kijk uit aan wie je je hoofd, hart en handen uitbesteedt en wat je doet
met je kennis en kunde, wat voor effect het heeft in de maatschappij.
De waardevrije wetenschap bestaat niet.
Daar ben ik echt door gevormd. Overal waar ik ging werken vroeg ik naar
de doelstellingen. Ik heb eigenlijk altijd gewerkt bij stichtingen met
een ideële doelstelling. Eén keer heb ik in het bedrijfsleven
gewerkt, maar daar was ik binnen een half jaar weg. Het was net alsof
daar een gat in de grond zat: elke week kwam er een nieuwe directeur of
bedrijfsleider.
Toen ik 25 jaar docent aan de kunstacademie was, kreeg ik een half maandsalaris.
De man die het me gaf, zei: "Het is eigenlijk een blamage: een teken
van te veel zitvlees." Trouw aan je roeping, de rijkdom van jarenlange
concentratie heeft geen waarde meer. Je kunt toch niet zomaar het ene
werk voor het ander inruilen, zoals die managers doen. Moet je zien wat
voor ravage dat oplevert."
Na je studie heb
je meteen verschillende werkzaamheden gecombineerd?
"Ja,
vanaf het allereerste moment dat ik betaald ging werken, heb ik daarnaast
als vrijwilliger gewerkt. Ik had ook altijd parttime jobs.
Ik begon op de Academie voor fysiotherapie als docent psychologie. Daar
heb ik ook de video geïntroduceerd als leer- en instructiemiddel.
Via de Stichting Jonge Onderzoekers kwam ik met video in aanraking. Zij
vroegen me: ga onderzoeken wat daarmee kan als leer-, instructie- en communicatiemiddel.
In diezelfde tijd leerde ik een kunstenaarsinitiatief kennen. Op Pim,
de coördinator daarvan, werd ik verliefd. Met die werkgroep deden
we projecten op het gebied van democratisering van de media. We leerden
mensen hun eigen videoprogramma's maken, die werden uitgezonden in de
wijken en de buurten. Wat dat losmaakte, daar krijg ik het nog koud van.
Na zes weken waren ze zo met elkaar verweven. 'Verdorie, lekt jouw huis
ook?' 'Ja, het mijne lekt ook.' 'Heb je gehoord dat ze ze tegen de grond
willen gooien?' Dat emotioneert me nog, omdat het zo'n diepe indruk op
me heeft gemaakt. Hoe beleid en politiek over mensen heenwalsten met een
beleid van jaren om een wijk schoon te vegen en klaar te maken voor dure
flats en parkeergarages.
De kracht van beeld, de mogelijkheid die dat geeft om jezelf kenbaar te
maken: daar ligt een enorme bezieling van mij. Men hoeft geen enorme woorden
te spreken en geweldig brieven te schrijven. Onze beste videoband bestond
uit camerabewegingen door het Noorderbergkwartier, van boven naar beneden,
elk huis uit de straat. Dat werd gedraaid op een inspraakavond en dat
sloeg in als een bom. Mensen werden actief. Er kwam een buurtcommissie.
In allerlei steden hebben we met dat videoapparaat gewerkt. Beeld was
nog niet zo gewoon als nu, televisie was iets uit Hilversum. Allerlei
nieuwe dingen hebben we ontwikkeld: stadsjournaals, themaochtenden, video-uitzendingen,
een stadskrant. Dat heeft enorm veel teweeggebracht."
Hoe ben je op de
kunstacademie terechtgekomen?
"Begin
1975 waren we bezig met het experiment kabelomroep Deventer en met de
kracht van de video als beeldend middel. Pim was kunstenaar en was bij
de AKI bekend. We werden toen beiden gevraagd om daar te komen werken,
vanuit de ervaring die we in onze projecten hadden opgedaan. Ik was een
wetenschapper en men vond dat interessant. Maar daardoor was ik ook behoorlijk
getekend: ze vonden me lastig. Dat had te maken met de combinatie wetenschapper
(die toen helemaal niet op een kunstacademie thuishoorde), vrouw (het
was een behoorlijke mannenwereld) en ik bracht een medium wat niet gewenst
was - 'een apparaat, dat is makkelijk zat, dat kan ik ook'.
Voor mij was duidelijk: je moet het in het werk laten zien. Dus ik ging
niet eindeloos in discussies. Ik begon met mijn cameraatjes mee te nemen
om daar studenten met video te leren werken. Die mediakunst ontwikkelde
zich, als afdeling apart, langzaam maar zeker. En ik werd gevraagd een
vakgroep onderzoek beroepspraktijk te ontwikkelen.
In de kunsten heb ik gepleit voor de bewuste keuze van een medium. Of
dat nou verf, kwast, camera is - je gaat aan het werk en je gaat ontdekken.
Al werkend ontstaan er dingen en kom je ook op dingen die je nooit had
kunnen bedenken.
Er zijn verschillende media, maar ook verschillende manieren van werken
en modellen van denken. Door daarnaar te kijken, werd beter bespreekbaar
wat studenten deden. Of iets mooi is of niet, daar heeft een student verdomde
weinig aan. Beeldanalyse, analyse van je werkwijze, van je uitgangspositie,
daar gaat het om."
Je bent zelf ook
kunstenaar.
"Toen
ik op de academie kwam, was ik nog geen kunstenaar. Later, in de jaren
tachtig, heeft mijn eigen kunstenaarschap zich ontwikkeld. Na tien jaar
in al die projecten komt er een moment dat je de doelen hebt gehaald en
dat je zegt: 'Okay, een aantal dingen is voorbij.' Je maakt natuurlijk
alles wat mooi en lelijk is van mensen mee. We waren soms behoorlijk gevreesde
mensen in de stad. Onze relatie liep ook op een eind. We hadden ons helemaal
kapot gewerkt en eigenlijk niet voldoende tijd besteed aan ons samen,
zoals ik dat nu zie. Ik wilde de rust in en terugtreden. Toen heb ik een
ateliertje gevonden.
Ik was de hele tijd bezig geweest met de kracht van het beeld en wat je
daar maatschappelijk mee kon doen en ik dacht nu: 'Wat kan ik er zelf
mee?' Ik wilde onderzoeken: Wat is verf? Wat is beweging? Wat is tijd?
Wat is licht? En dan zie je wat er met jezelf gebeurt, ontdek je wat in
je innerlijk zit. Men heeft het altijd over fysieke genen maar je hebt
ook geestelijke genen. Je draagt heel veel kennis en ervaring en wetenschap
met je mee. Al werkend kwam ik op drie culturen uit die voor mij in de
ziel van belang zijn en waar ik me thuis voel. Daar behoor ik ook en heb
ik ooit gehoord. Dat zijn de Maya's in Midden-Amerika, dat is Egypte en
dat is Tibet. Er bestaan vele dingen onder de zon, dat is mij wel duidelijk
geworden.
Het sjamanisme zegt me heel veel. In de sjamanistische zienswijze ga je
uit van een bezield universum. Daarnaast heb je de alchemistische werkwijze,
die voor mij voor de procesmatige werkwijze staat: je hebt allerlei fases
die je doormaakt - begin, een aantal tussenstappen, middenstappen en dan
een einde - eigenlijk altijd in een bepaalde volgorde, wil het tot iets
leiden."
Wat zijn de meest
kenmerkende gebeurtenissen in je leven?
"Mijn
vader kwam door een jachtongeval om het leven. Hij was toen 52, ik was
22. Dat was een mega klap voor het hele gezin, want hij was de spil. Toen
ben ik teruggegaan naar huis, heb een aantal jaren daar de boel opgepakt.
Ik werd curator voor mijn moeder en voogd voor mijn broers en zusters.
Toen mijn moeder stierf, was ik 40; toen viel die verantwoordelijkheid
een beetje van me af. Formeel dan, het is nooit helemaal van me af gekomen.
Door de ziekte van mijn moeder én door de plotselinge dood van
mijn vader werd ik al heel jong een soort stand-in vader en moeder. Dat
heeft mijn leven, ook mijn werkzame leven getekend. Ik nam verantwoordelijkheden
die misschien niet eens nodig waren. Ze noemden me wel de moeder van de
afdeling. Ik heb dat zorgzame, van kijken hoe het loopt en komt iedereen
tot zijn recht?
Ik heb daardoor ook dingen volgehouden die bijna onmenselijk waren. Grenzen
stellen heb ik nooit goed geleerd. Ik was gewend om gewoon door te gaan,
hoe moeilijk het ook was. Jarenlang heb ik me van de ene naar de andere
uitputting gewerkt.
Andere belangrijke momenten waren toen ik met videoprojecten begon bij
de Stichting Jonge Onderzoekers en toen me gevraagd werd om op de kunstacademie
te komen werken.
Ik vond het fantastisch om al die ervaringen om te zetten in kaders: in
een vakgroep, in afdelingen waar die ervaringen doorgegeven konden worden.
Ik heb het niet eenvoudig gevonden toen we op de academie met fusies en
reorganisaties te maken kregen. Er had inhoudelijk gepraat moeten worden
en het werden machtsstrijdjes. Toen heb ik drie keer een enorme confrontatie
meegemaakt. Dat betekenden persoonlijke crisissen voor mij, want mijn
hart en ziel lag bij de academie en de studenten. Ik had alles geïnvesteerd
daar en voelde het een beetje als familie. Dat was een stap te ver natuurlijk
en uiteindelijk heb ik geleerd dat ik me wat meer moest distantiëren.
Ik kreeg ook fysieke klachten. Toen ben ik op de academie meer in de luwte
terechtgekomen. Vanaf 1996 was ik geen coördinator meer en had ik
niet meer met het beleid te maken. Ik concentreerde me vooral op mijn
studenten.
Eind 2000 heb ik mijn beeldend werk afgerond. Ik merkte dat ik moest uitrusten.
Ik ging eigenlijk terug naar vrijwilligerswerk met mensen in kleine gemeenschappen.
En toen vond ik de kapel aan het Wezenveld. In het begin dacht ik: Wat
moet ik hier? Langzaam begon ik me er thuis te voelen. Het samen iets
vieren, het samen zingen, dat vond ik heel mooi. Er kwam een vraag: 'Wil
je lector worden?' En toen ben ik, achteraf gezien veel te snel, weer
van alles gaan doen.
In 2006 hield ik op met mijn academie. Hartritmestoornissen gingen toen
al behoorlijk mijn dag bepalen. Dat is nu een heel stuk beter met medicijnen,
maar het betekent wel dat ik uit het atelier verhuisde en hier in een
seniorenwoning woon."
Hier is het stiller?
"Ja,
op een hele mooie manier. Ik noem het bijna kloosterlijk. De stilte, de
bewegingen van wat er in de lucht omgaat, het licht en de bomen, dat raakt
me. Het werkzame leven is hierbij ten einde, maar het leven en de bezieling
gaan op een heel andere toon voort. Veel verfijnder. Ik heb altijd zo
gerend en gedraafd. Langzaam maar zeker heb ik de ervaring: je hoeft niks
te doen, het komt gewoon naar je toe.
Mijn zus gaf me een paar weken geleden een papiertje mee met allerlei
waarden erop. Daar kon je dan je tien belangrijkste waarden kiezen. Ik
merk dat ik nu hele andere waardes kies dan in mijn werkzame leven. Toen
hadden gelijkwaardigheid, rechtvaardigheid en samenwerken er beslist in
gestaan. Nu zeg ik: Ik vind vreugde heel belangrijk, en vriendelijkheid.
Hier in het huisje is de lichtval verrukkelijk en dan kan ik totaal gelukkig
en in beslag genomen zijn door het kijken. Dat is spannender dan de mooiste
film: hoe dat zonlicht schuin door de ramen langzaam die keuken een beetje
licht geeft... Dat vind ik zoiets moois en dan denk ik: daar ga ik een
fotootje van maken."
|
Loopbaan
in het kort
Jacqueline Hoogeveen
is geboren in Tilburg in 1944. Na haar gymnasium A-opleiding studeerde
ze andragogiek in Nijmegen. Van 1972-1976 werkte ze als docent psychologie
op de Academie voor fysiotherapie. Tien jaar lang, tot en met 1983,
was ze daarnaast actief in projecten op het gebied van kleinschalige
media, kunsten en stadsvernieuwing, grotendeels als vrijwilliger.
Vanaf 1975 werkte ze als docent mediakunst aan de AKI, de kunstacademie
in Enschede. Tussen 1984 en 2001 werkte Jacqueline bovendien als
beeldend kunstenaar, met jaarlijks diverse tentoonstellingen en
presentaties. Na 1999 dwong een huidkwaal haar tot meer rust. In
september 2006 nam ze vrijwillig ontslag en ging met flex-pensioen.
Ze was actief als vrijwilliger in de H. Hartkapel in Twello.
Op dit moment woont Jacqueline alleen en leeft 'teruggetrokken als
een monnik'. Ze is zeker niet 24 uur per dag bereikbaar, maar kiest
wel voor persoonlijke ontmoetingen en samen iets doen, als het kan.
Ook verricht ze studie naar religies en levensvisies die mensen
door de eeuwen heen ontwikkelden.
|
Interviewer Daan
Vogelpoel was tot voor kort pastoraal werker van het parochieverband IJsselvallei
met het profiel diaconie. Vanaf 1 juli is hij werkzaam als geestelijk
verzorger in de Gelre Ziekenhuizen.

Terug
naar openingspagina Beroep en Bezieling

|
|