ARBEIDSPASTORAAT DISKVERHALEN UIT HET ARBEIDSPASTORAAT 2
Van
1994 tot 1999 werkte ik als bedrijfspastor in Apeldoorn, in dienst van
de stichting Bedrijfspastoraat Aartsbisdom Utrecht. Een dag in de week,
later eens in de veertien dagen, werkte ik mee bij een installatietechnisch
bedrijf, als ongeschoold monteur op de afdeling elektra en luchtbehandeling.
Iedere donderdag reed ik met andere monteurs naar een klus, meestal een
benzinepompstation, ergens in het land. De ervaringen die ik heb opgedaan
tijdens dit eerste bedrijfscontact heb ik opgetekend en nader overdacht
in een boek. In
acht hoofdstukken werk ik aan de hand van dagboekverslagen en artikelen
die ik destijds heb geschreven ontwikkeling, uitbouw en effect van mijn
eerste bedrijfscontact als arbeidspastor uit. Ieder hoofdstuk is voorzien
van 'na-gedachten', en is gevat in een bijbeltekst die het gelovig perspectief
aangeeft . Zo staat het hoofdstuk 'Start en ontwikkeling' in het kader
van Numeri 13, 17-20: "Toen Mozes hen uitzond om Kanaän te verkennen,
gaf hij hun deze opdracht: 'Trek eerst de Negeb door en trek dan het bergland
in. Stel vast wat het voor een land is, of het volk er sterk is of zwak,
gering in aantal of talrijk; [...] Gij moet u moedig gedragen en ook wat
vruchten van het land meebrengen.'" Het
tweede hoofdstuk is gebaseerd op een artikeltje met de titel 'Dertig eigen
baasjes'. Daarin beschrijf ik mijn kijk op het bedrijf na een jaar meewerken.
In de na-gedachten gaat het daar over de Naam Gods: Ik zal er zijn voor
jou. Over de opdracht die daaruit spreekt: wees er. Het derde hoofdstuk
is gebaseerd op een interview met de directeur. In de na-gedachten wordt
daar gezocht naar de waarden die uit zijn verhaal spreken, en hoe die
doorwerken in het bedrijf. In het vijfde hoofdstuk komen de verhalen van de mensen die ik ontmoet aan de orde. De Naam 'Ik zal er zijn voor jou' brengt mij tot de houding: jij mag er zijn. Daarom vind ik het ook van belang dat een ieders Naam genoemd wordt. Daar probeer ik aan bij te dragen, door aandachtig te luisteren, levensverhalen op te tekenen en ten gehore te brengen. Na de verhalen van de monteurs kijk ik in hoofdstuk zes naar de kansen die het snel groeiende en veranderende bedrijf de mensen biedt om hun leven vorm te geven. Met al die ervaringen ga ik terug naar de parochies. De verhalen die ik daar vertel, daar gaat hoofdstuk zeven over. In
hoofdstuk acht is tenslotte de vraag aan de orde wat ze nu hebben opgeleverd,
die jaren meewerken. Eerst werk ik een aantal gedachten uit over het bedrijf:
over de kwaliteit van het werk in termen van de kwaliteit van het leven
van de werkers. Dan kijk ik naar de waarde en betekenis van het bedrijfscontact
voor de arbeidspastor, het arbeidspastoraat en de geloofsgemeenschap.
Hier werk ik ook de vergelijking met het parochiepastoraat van het vierde
hoofdstuk nader uit aan de hand van, en in vergelijking met het boek van
Gerard Groener: 'Ingewijd en toegewijd. Profiel en vorming van de parochiepastor'
(2004). Zo ben ik als het ware 'per ongeluk' in een presentie-positie geraakt: 'er-zijn', zoveel mogelijk zonder agenda, en je laten leiden door het belang van de Ander. Kennelijk is dat me nu eenmaal op het lijf geschreven. In ieder geval denk ik dat hoe meer doelen je je vooraf stelt, hoe minder kans je maakt dat je bij het verhaal en de werkelijkheid van mensen komt. "Ik zal zelf wel definiëren waar ik mee zit, en wat ik eraan wil doen. En of ik je daarbij nodig heb. Wees er eerst maar eens." |