PROJECTEN1
MEI CONFERENTIE 2001 'Globalisering
en sociale gerechtigheid'
"De
vakbonden en de Kerk weten elkaar weer te vinden" Dat was het kopje boven het persbericht naar aanleiding van de ontmoeting van een delegatie van de Bisschoppenconferentie met het CNV op 6 februari j.l. Vorig jaar was er ook al zo’n gesprek met de Vakcentrale FNV. Van beide zijden, vakbeweging en Kerk, wordt de waarde van dit soort ontmoetingen benadrukt. De Bisschoppenconferentie wil nadrukkelijk de dialoog met maatschappelijke sectoren aangaan. En in de zich wijzigende maatschappelijke en politieke omstandigheden is ook de vakbeweging op zoek naar nieuwe bondgenootschappen. Die zijn nodig om nieuwe maatschappelijke vraagstukken aan te pakken. Ik denk dat het goed is dat we met elkaar in gesprek zijn over fundamentele zaken, over vragen die de mensen bezighouden zoals zingeving, mensbeeld, maatschappelijke en persoonlijke verantwoordelijkheid, participatie. Vandaag
op 1 mei, de Dag van de Arbeid, voor katholieken het feest van St. Jozef-arbeider,
vinden wij elkaar in een gesprek over onze persoonlijke betrokkenheid
bij en inzet voor belangrijke vraagstukken van onze tijd, voor nieuwe
sociale kwesties die ons allemaal aangaan. De FNV-grondslag verwoordt helder de oorsprong van de vakcentrale: de FNV maakt als maatschappelijke beweging deel uit van de langdurige en veelbewogen strijd voor de verbetering van de levensomstandigheden van de arbeiders. Zij wortelt in twee tradities: de sociaal-democratische beweging en de sociale stroming in het katholicisme. De Kerken en de vakbeweging in Europa hebben al meer dan een eeuw de politieke en economische ontwikkelingen met grote toewijding op de voet gevolgd. Er was in de Kerken een lang proces nodig om een reactie te kunnen geven op de totaal veranderde samenleving aan het einde van de 19de eeuw - denk bijvoorbeeld aan de processen van industrialisatie en urbanisatie - en om in het zich sterk ontwikkelende politiek-maatschappelijk krachtenveld effectief te kunnen opkomen voor degenen het slachtoffer waren geworden van alle veranderingen. De betrokkenheid van de Kerken bij het arbeidersvraagstuk vond haar neerslag en inspiratie in het spreken van kerkleiders en figuren als Ariëns over sociale vraagstukken en kreeg vorm in onder meer de eigen arbeidersbewegingen. Ons
geloof vraagt om daden met het oog op de opbouw van menselijke samenlevingen.
Vertrekpunt van die overtuiging is de persoonlijke waardigheid van elke
mens. Christenen gaan ervan uit, dat elke mens van gelijke waarde is
en dat er voor God geen mensen zijn die door geboorte, stand of bezit
een wezenlijke voorkeur waard zijn. Staat en Kerk zijn verplicht in
hun denken en handelen die menselijke waardigheid te respecteren en
te bevorderen. Ieder mens dient tot zijn recht te komen. Meer dan een eeuw geleden, in 1891, schreef paus Leo XIII zijn encycliek “Rerum Novarum” over de nieuwe ontwikkelingen, de res novae, van zijn tijd. Het recht van de sterksten beheerste volkomen de economische verhoudingen tussen de mensen. De economische orde was tot in de wortels verstoord. Want terwijl weinigen van te veel rijkdommen genoten, leed intussen de grote massa van de arbeiders dagelijks onder vaak erbarmelijke omstandigheden en nijpend gebrek. Onmenselijk waren vooral de omstandigheden waaronder vrouwen en kinderen moesten werken. De boodschap van de Paus was helder en voor die tijd revolutionair: de kern van de sociale kwestie is een zaak van het toekennen van datgene waarop men recht heeft; het is een zaak van rechtvaardigheid. Die
boodschap wil ik vandaag voor u doortrekken naar de nieuwe ontwikkelingen
van deze tijd, ontwikkelingen die we aanduiden met het begrip “globalisering”.
Wat betekenen die veranderingen voor het dagelijks leven van mensen,
niet alleen in onze eigen samenleving maar wereldwijd. Ik wil die ontwikkelingen
bekijken vanuit de optiek van het katholieke sociale denken, de sociale
stroming van het katholicisme die een van de wortels is voor de FNV.
Ik wil u ook enkele gedachten en suggesties meegeven voor de gesprekken
van vandaag over verschillende aspecten van globalisering. Geen begrip is de laatste jaren zoveel gebruikt in politieke debatten, journalistieke beschouwingen en wetenschappelijke analyses, als het begrip globalisering. Ik heb intensieve contacten in de wereldkerk, met bisschoppen in de Europese Unie en in het grotere Europa, met mensen uit de kringen van Pax Christi en Justitia et Pax, met de academische wereld en de politiek, en overal wordt over globalisering gesproken. Alleen al de wereldwijde verbreiding van dit begrip is een bewijs van de ontwikkelingen waarnaar het verwijst. Geen politieke toespraak is compleet zonder een verwijzing naar globalisering. Het is een sleutelwoord geworden om een geheel van veranderingen aan te duiden op economisch gebied, maar het kan net zo goed verbonden worden met schaalvergroting, internationalisering op politiek, cultureel en technologisch gebied. Het gaat om mobiliteit van geld, mensen en informatie. Oud-premier
Ruud Lubbers, zoals u weet ook een tijd lang hoogleraar op het gebied
van globalisering, vatte het in de volgende definitie samen: “een proces
waarin ruimtelijke afstand bij de totstandbrenging en de instandhouding
van grensoverschrijdende economische, politieke en sociaal-culturele
betrekkingen een factor van afnemend belang is. Dit proces heeft zo
aan kracht gewonnen dat betrekkingen fundamenteel veranderen, en de
mens zich van deze verandering bewust wordt. De potentiële internationalisering
van betrekkingen en afhankelijkheden is een kans, maar brengt ook angsten,
weerstand, actie en reactie met zich mee.” Sommigen zeggen, dat globalisering helemaal niets nieuws is. In Nedrland wijzen ze dan bijvoorbeeld op de oprichting van onze eigen Verenigde Oost Indische Compagnie in de zeventiende eeuw, op de Republiek als centrum van de wereldhandel, op onze koloniale geschiedenis, op de grote emigratiestromen in het begin van de vorige eeuw. Dat dit proces van globalisering in de laatste tien jaren ineens als een haast revolutionair verschijnsel wordt beschouwd, heeft denk ik vooral te maken met de snelheid en de intensiteit van de ontwikkelingen in onze samenleving. Twee factoren hebben daaraan bijgedragen: de ineenstorting van het communisme en de verbreiding van nieuwe communicatie-technologieën. De wereldwijde ontspanning na het einde van de Koude Oorlog, na de val van de Berlijnse Muur in 1989 , maakte een vrij verkeer van mensen, goederen, diensten en kapitaal mogelijk. Velen hebben zich in de handen gewreven toen het communisme verdween, met zijn planeconomie, met zijn centralisme dat persoonlijke verantwoordelijkheden en private initiatieven ontkende. De opdeling van de wereld in blokken was voorbij. De vrije markt en de democratie hadden een einde gemaakt aan een van de dominante theorieën van de 20ste eeuw, het communisme. De vrije markteconomie, deregulering en privatisering beloofden welvaart en democratie, economische groei, vooruitgang en samenwerking tot het uiteinde der aarde. De Derde Wereld kon er alleen maar wel bij varen. De uitbreiding van de afzetmarkten naar het Oosten en het Zuiden, en het opengaan van een aantal lage-lonenlanden in Oost-Europa bijvoorbeeld, beloofden een welvaartsgroei in het westen. Globalisering is vanuit deze redenering gelijk aan liberalisering, aan de wereldwijde successtory van de vrije markt en van de politieke democratie. Globalisering
is bovenal beïnvloed door de ontwikkelingen in de communicatie-technologieën
sinds de jaren
zestig van de vorige eeuw. De eerste communicatiesatelliet werd in 1969
gelanceerd. Nu draaien er meer dan 200 rond de aarde. Internet staat
symbool voor de overwinning op de grenzen van tijd en ruimte. De wereldhandel
en met name de geldhandel ondergingen een gigantische versnelling en verheviging,
dankzij de nieuwe communicatiemedia. Een crisis in Japan doet zich overal
ter wereld voelen. Koersdalingen op Wallstreet beïnvloeden de geldmarkten
overal ter wereld. Met een klik op de muis worden enorme kapitalen van
de ene naar de andere kant van de wereld overgebracht. De waarde van
het geld in onze portemonnee of op onze bankrekening kan van de ene
dag op de andere veranderen volgens de bewegingen van de financiële
markten. Maar het zijn niet alleen dit soort grote systemen waar globalisering een rol speelt. Ook wijzelf, onze waarden en normen, ons familieleven, onze samenlevingspatronen staan onder invloed van de globalisering. Op geen enkel moment van de geschiedenis zijn die veranderingen zo zichtbaar geworden als in onze tijd. Globalisering brengt ons in contact met een verscheidenheid aan culturen, dat merk je in het straatbeeld. Dat verandert ons denken over multiculturaliteit en pluriformiteit. De Nederlandse boekenweek krijgt als thema “Tussen twee culturen” en het boekenweekgeschenk wordt geschreven door de uit India afkomstige Britse auteur Salman Rushdie. De persoonlijke welvaart van veel mensen in het Westen is gegroeid. We doen in aandelen, handelen op de beurs, profiteren van de economische groei, we worden rijker als persoon en als samenleving. We zijn meer in beweging dan ooit, met de auto, met het vliegtuig. Ging je in de jaren zestig tijdens de zomervakantie misschien een weekje naar de Belgische Ardennen, nu liggen de Dominicaanse Republiek, de West-Afrikaanse stranden, Sri Lanka en de Noordpool binnen ons bereik. Maar we kunnen ook aan andere gevolgen denken. Traditionele Nederlandse familiebedrijven raken door fusies en concentraties in buitenlandse handen. Dat geeft het besef bij de werknemers dat ergens anders op de wereld iemand aan de touwtjes trekt. Dat zorgt voor vervreemding en vaak machteloosheid. Mensen voelen zich erdoor bedreigd. De macht is ongrijpbaar geworden. De MKZ-crisis toont nog eens aan hoezeer de agrarische samenleving afhankelijk is geworden van internationale verhoudingen, van in- en export, van besluitvorming niet langer op Nederlands maar nu op Europees niveau. Er
zitten ontegenzeggelijk veel goede kanten aan globalisering: zij zorgt
voor economische groei, arbeidsplaatsen, toename van de welvaart, nieuwe
kansen voor iedereen, contacten met de hele wereld, een bijdrage aan
vrede en veiligheid, aan democratie, aan het respect voor mensenrechten.
Maar tegenover alle voordelen die er aan globalisering zitten, moeten
we ook oog hebben voor de negatieve verschijnselen. Het begin van deze
eeuw laat immers een paradox zien: enerzijds leven meer mensen in goede
gezondheid, in welvaart en vrede met elkaar dan ooit in de geschiedenis;
anderzijds leven er meer mensen in armoede en zonder perspectief dan
op welk moment van de geschiedenis. Terwijl de volkeren van de wereld
steeds afhankelijker van elkaar worden,
nemen dagelijks de problemen toe. Overal zien we uitbarstingen van geweld;
geen grote wereldoorlogen, maar interne conflicten die miljoenen slachtoffers
maken: doden, verminkten, ontheemden, vluchtelingen. We moeten ons zorgen
maken over de ecologische crisis, de uitstoot van broeikasgassen, vermindering
van de kwaliteit van lucht, bodem en water, overbevissing, intensieve
veeteelt,. Sceptici zeggen dat we bezig zijn de wereld onbewoonbaar
te maken voor toekomstige generaties. Al deze ontwikkelingen roepen twee reacties op. Aan de ene kant horen we het optimistisch geluid en het vasthouden aan de successtory van de vrije markt, de duimen omhoog en het champagneglas in de hand. De optimisten zien slechts positieve en zelfs revolutionaire ontwikkelingen die ze toeschrijven aan de globalisering van de economie en de marktwerking. De ongemakken verdwijnen vanzelf als we de markt maar zijn werk laten doen. Aan de andere kant zijn er de sceptici en de pessimisten die wijzen op alles wat er verkeerd gaat in deze wereld en dat toeschrijven aan de ongebreidelde globalisering: de teloorgang van het milieu, de groeiende armoede, het verlies van nationale identiteit en van de waarde van cultuur en religie, het verlies van eeuwenoude tradities; ze wijzen op een verdergaande dominantie door de wereldmarkten en door het Westen, ten koste van de inbreng vanuit het Zuiden. Ikzelf
behoor niet tot de vooruitgangsprofeten die in globalisering niets dan
goeds zien, maar ook niet tot de doemdenkers. Globalisering is onontkoombaar.
Deze ontwikkelingen zijn niet tegen te houden. Kern van het vraagstuk is, hoe wij globalisering
zo kunnen omvormen, zo kunnen
gebruiken, dat ieder mens, waar ook ter wereld, ervan kan profiteren.
Het gaat, net als aan het einde van de 19de eeuw, om de kernvraag
van de sociale kwestie: verstoorde verhoudingen moeten worden rechtgezet, de zwakken moeten worden beschermd tegen uitbuiting
en onrechtvaardigheid. En daarmee kom ik bij de uitgangspunten van de
katholieke sociale leer terecht. Voor een goed begrip van de katholieke sociale leer: zij is niet zomaar een verzameling opvattingen en standpunten van gelijke zwaarte. Inderdaad spreekt de katholieke sociale leer in duidelijke termen over bijvoorbeeld het recht op privébezit, over rechtvaardig loon, over de wapenhandel, over de internationale schuldenlast, en over veel andere actuele vraagstukken. Maar dat gebeurt nooit zoals in een verkiezingsprogramma of bij de profilering van de doelstelling van een maatschappelijke organisatie. De Kerk komt niet op die wijze met concrete modellen voor oplossing. Zulke standpuntbepalingen zijn de consequenties of toepassingen van zaken die de Kerk beschouwt als meer direct tot haar competentie behorend: de theologisch-antropologische en de ethische visie op mens en maatschappij. Ik
hecht er waarde aan hier duidelijk te zeggen, dat ik op deze conferentie
niet een belerende of vermanende Kerk wil presenteren maar
op de eerste plaats een lerende, in dialoog met de tekens van
de tijd. Qua methode is de katholieke sociale leer allereerst een poging
om, uitgaande van de grondidee van de unieke waarde en waardigheid van
elke mens, de feiten beter te begrijpen, nieuwe ontwikkelingen te leren
verstaan. De “leer” is dus geen
statisch geheel, maar een gedachtengoed dat groeit mede door de inbreng
van concrete ervaringen van mensen. Het nodigt ons uit tot meedenken,
tot engagement met maatschappelijke vraagstukken. De grondslag van de sociale leer wordt gevormd door het Evangelie en de verkondiging door Jezus over de waardigheid van de menselijke persoon als beeld en gelijkenis van God. Ieder mens heeft een eigen waardigheid die niet afhangt van leeftijd, afkomst, geslacht, rijkdom of wat dan ook. Jezus maakt duidelijk hoe hijzelf het mens-zijn opvat: het is dienstbaar zijn, in tegenstelling tot een gang van zaken in de samenleving die gekenmerkt wordt door heersen en misbruik maken van macht. De ware mens is de dienstbare, niet de heerser. Wij mensen zijn ten diepste van elkaar afhankelijk en wij zijn ook op verschillende manieren voor elkaar verantwoordelijk. Als onze onderlinge verbondenheid groeit in zorg en liefde, groeien we als mens. Onze band met andere mensen gaat verder dan het directe contact van mensen die oog in oog met elkaar staan. Wij hebben ook een band met elkaar als leden van een groep, een gemeenschap, verbonden door bijvoorbeeld nationaliteit, cultuur, taal, godsdienst. In wezen zijn wij leden van één grote mensenfamilie, wij leven in één wereld. Telkens als wij een actie ondersteunen bij een hongersnood, een natuurramp, ter bescherming van het milieu, doen wij dat vanuit een instinctief gevoel van solidariteit. Met die solidariteit, met deze wezenlijke eenheid tussen mensen, hangt het beginsel samen van het algemeen welzijn. Het is de som van alle sociale voorwaarden die ons in staat stellen de menselijke waardigheid te respecteren, tegemoet te komen aan de basisvoorwaarden van het bestaan voor alle mensen op deze wereld, terwijl tegelijkertijd ieder mens de vrijheid heeft om verantwoordelijkheid te dragen voor zijn of haar eigen leven. Het is de taak van iedere overheid, internationaal, nationaal en lokaal, om ervoor te zorgen dat haar beleid dit algemeen welzijn, het bonum commune, dient en dat gebeurt met name wanneer de arme en kwetsbare mensen worden beschermd en de integrale ontwikkeling van groepen en mensen worden bevorderd. De sociale leer van de Kerk benadrukt dat het de taak is van de overheid om te werken ten dienste van de menselijke persoon. Het is niet goed om bij mensen weg te halen wat zij zelf kunnen doen, waarover zij zelf kunnen beslissen. In besluitvormingsprocessen moet de overheid zo dicht mogelijk bij de mensen beginnen. Daar ligt het belang van de civil society, het maatschappelijk middenveld, het netwerk van maatschappelijke organisaties die vorm geven aan de betrokkenheid en solidariteit. Deze solidariteit met anderen, een levend teken dat wij allemaal leden zijn van één grote mensenfamilie en dus ook verantwoordelijkheid dragen voor elkaar, zal ons leiden bij de keuzes die wij in ons leven steeds weer maken en moeten maken, waarbij wij telkens proberen de evangelische opdracht van gerechtigheid waar te maken. Staande tegenover de ellende van het proletariaat aan het einde van de 19de eeuw, heeft paus Leo XIII gezegd: “Wij nemen dit onderwerp met vertrouwen en met het volste recht in behandeling. Het lijkt ons dat wij in onze taak tekort zouden schieten, als wij zwegen.” In
de afgelopen meer dan honderd jaar heeft de Kerk herhaaldelijk haar
mening gegeven en de voortdurende ontwikkeling van het sociale vraagstuk
gevolgd. Zij heeft dat niet gedaan om privileges uit het verleden terug
te krijgen of om haar mening op te dringen. Haar enige doel is, toen
en nu, de zorg en de verantwoordelijkheid voor de mens. In 1891 waren
het de ellendige omstandigheden van de arbeiders, die door de Kerk als
de sociale kwestie werden benoemd. Ik aarzel niet de zorgwekkende en
negatieve gevolgen van de globalisering tot de sociale kwestie van onze
tijd te bestempelen. In de rooms-katholieke Kerk groeit het bewustzijn over de gevolgen van de globalisering voor het leven van de mens In zijn boodschap voor Wereldvredesdag 1 januari 1998 schrijft paus Johannes Paulus II : “De
enorme geopolitieke veranderingen die zich sinds 1989 hebben voorgedaan,
zijn vergezeld gegaan van ware revoluties op sociaal en economisch gebied.
De globalisering van de economie en de financiële wereld is nu een feit
en we worden ons steeds meer bewust van de gevolgen van de snelle vooruitgang
op het gebied van de informatietechnologieën. We staan op de drempel
van een nieuw tijdperk dat hoopvolle verwachtingen en verontrustende
vragen in zich heeft. Wat zal het gevolg zijn van de veranderingen die
zich voltrekken? Zal iedereen kunnen meeprofiteren van een wereldwijde
markt? Zal iedereen eindelijk de kans krijgen om in vrede te leven?
Zullen de economische betrekkingen tussen de staten rechtvaardiger worden
of zal de economische concurrentie en rivaliteit tussen volken de mensheid
in een situatie van nog grotere instabiliteit brengen?” Ik citeer uit het document dat verscheen na afloop van de speciale bisschoppenvergadering voor Amerika in 1997: “De
globalisering van de economie heeft een aantal positieve gevolgen zoals
efficiency en grotere productiviteit; samen met de uitbouw van de economische
betrekkingen tussen de verschillende landen kan ze ook voeren tot grotere
eenheid onder de volken en de mensheid beter ten dienste staan. Maar
als ze zich enkel laat leiden door de marktwerking in dienst van de
sterken, kunnen de gevolgen alleen maar negatief zijn. Voorbeelden zijn:
verabsolutering van de economie, werkloosheid, minder en slechter openbaar
dienstbetoon, vernietiging van milieu en natuur, vergroting van de kloof
tussen rijk en arm, oneerlijke concurrentie waardoor de arme naties
steeds meer op achterstand worden gezet.” Is deze waarneming van de positieve en negatieve aspecten van globalisering ook niet door te trekken naar Europa, naar de Europese Unie en naar ons eigen land? Ik richt me nu vooral op de thema’s die vandaag aan de orde zijn en waarover wij in de workshops verder met elkaar in gesprek gaan. De Europese Unie behoort met haar lidstaten tot de centrale actoren in het proces van globalisering. De Unie staat zelf in eerste instantie voor de uitdaging zich op de nieuwe situatie in te stellen. Mensen sociale zekerheid bieden in een arbeidsproces dat sterk aan veranderingen onderhevig is. Een tweedeling in de maatschappij tegengaan, de tegenstelling tussen arm en rijk, tussen goed en slecht opgeleid, tussen legaal en illegaal, tussen de mondige burger die zijn weg wel weet te vinden, tegenover degenen die het gevoel hebben dat zij die ontwikkelingen niet kunnen bijhouden of er geen toegang toe hebben. De
Europese Unie moet zich echter niet alleen maar tot zichzelf beperken.
Zij moet tegelijkertijd ook wereldwijde verantwoordelijkheid aanvaarden.
Al in de oprichtingsakte van 1950 is een passage opgenomen volgens welke
Europa zich vanuit een gevoel van zelfbesef en op grond van zijn geschiedenis
tot hulp aan andere delen van de wereld verplicht. Die verantwoordelijkheid
laat zich niet alleen maar waarmaken door het geven van ontwikkelingshulp.
Zolang internationale handelsovereenkomsten vooral de agro-industrie
en de grote transnationale ondernemingen bevoordelen ten koste van bijvoorbeeld
de kleine boeren in het Zuiden, zolang wij onze grenzen slechts op een
kiertje willen zetten voor exportproducten uit
ontwikkelingslanden, is er geen sprake van eerlijke en rechtvaardige
verhoudingen. Schuldverlichting is heel hard nodig, maar heeft weinig
zin als wij de arme landen niet toelaten tot onze vrije markt, als we
die vrije markt in feite vooral voor onszelf opeisen. Het rijke Westen
moet een beleid ontwikkelen dat ervoor zorgt dat een groter deel van
de wereld profijt heeft van deze ontwikkelingen. De afgelopen jaren hebben geen vermindering maar veeleer een groei laten zien van de armoede wereldwijd. Veel landen in het Zuiden profiteren niet van globalisering, maar zakken verder weg in armoede. Volgens de laatste Human Development rapporten van de Verenigde Naties hebben meer dan tachtig landen een lager inkomen per hoofd van de bevolking dan tien jaar geleden. Rond de 1,2 miljard mensen leven nu in extreme armoede. Tegelijkertijd zien we een opeenstapeling van rijkdom bij een kleine groep mensen, zowel in het Zuiden als in het Noorden. Er zijn voorbeelden te over van dictators in het Zuiden die zich verrijkten op kosten van de bevolking en met de hartelijke steun van het Noorden. Maar ondanks de soms exorbitante rijkdom van enkelingen in het Zuiden tonen de cijfers, dat er een enorme kloof is tussen arme en rijke landen en dat die kloof groter wordt. Daarnaast zien we ook dat de rijkdom van individuen toeneemt en dat de publieke rijkdom afneemt. Zo hebben de drie rijkste personen ter wereld een vermogen dat net zo groot is als het Bruto Nationaal Product van de 48 armste landen. In de Verenigde Staten is het vermogen van de rijkste mens gelijk aan het inkomen van de armste 40% van de Amerikaanse bevolking. De
gewone bevolking betaalt vaak de zwaarste prijs ten tijde van economische
crises. De Filippijnse bisschoppenconferentie wees er in 1998, aan het
begin van de financiële crisis in Azië, op dat de menselijke kosten
zo groot waren, dat de crisis niet alleen moest worden gezien als een
financieel maar vooral als een sociaal probleem. Veel families kunnen
alleen nog maar het hoofd boven water houden, omdat de migrantenarbeiders
geld blijven sturen. Dat
brengt ons bij het migratievraagstuk. Er is een wereldwijde volksverhuizing
gaande. In de ontwikkelingslanden zien we het verschijnsel dat mensen
hun uitzichtloze bestaan op het platteland verruilen voor het leven
in de stad, de plaats waar familieleden wonen, waar de welvaart trekt.
De uitstoot van de plattelandsbevolking en de trek naar de grote
steden als opstap naar sociaal-economische lotsverbetering is een gegeven.
De gevolgen van burgeroorlogen, onderdrukking, armoede en overbevolking
brengen veel mensen in beweging. De globalisering heeft dat verschijnsel
ook op de stoep van de Westerse landen gedeponeerd. En we weten ons
hier in Europa niet goed raad met dat verschijnsel. Enerzijds is er
het beleid om economische ruimte zonder grenzen tot stand te brengen,
een vrij verkeer van kapitaal en goederen, en vraagt het bedrijfsleven
om buitenlandse werknemers om in het groeiend tekort aan arbeidskrachten
te kunnen voorzien. Anderzijds probeert men de grenscontroles te verscherpen
om immigranten en vluchtelingen buiten de deur te houden. Mensensmokkelaars
en criminele organisaties hebben zich inmiddels meester gemaakt van
de vluchtelingenroutes. De ontreddering is zo groot, dat mensen zich
in gammele bootjes en verborgen in vrachtauto’s naar de welvaart in
West-Europa laten brengen. Dat leidt tot dramatische gebeurtenissen,
zoals we hebben gezien bij de stranding van de East Sea, een schip met
bijna duizend Koerdische asielzoekers dat door de bemanning op de rotsen
van de Franse Middellandse-Zeekust werd gezet, of bij de ontdekking
van de 58 dode Chinezen in een Nederlandse vrachtauto in
Dover. De exodus uit het Oosten en het Zuiden naar Europa is
een gegeven, maar op het niveau van de Europese Unie weten de regeringen
niet tot een gezamenlijke aanpak te komen. Een ander thema is dat van identiteit, multiculturaliteit en conflict. Godsdiensten
spelen een rol in de globalisering. Ze verlenen een motiverend kader
en een overstijgend appèl aan het maatschappelijk ethos. Godsdienst
en religie bieden mensen een referentiepunt voor de vraag naar de zin
van het leven, ze stimuleren en vormen het gevoel van identiteit en
bevorderen een harmonieus samenleven, zorg voor de medemens en voor
de natuurlijke omgeving. Ze kunnen een rol spelen in de verzoening tussen
mensen en volken, maar ze kunnen ook verworden tot bron van racisme,
ideologische conflicten versterken en zelfs veroorzaken. De Kerken zijn
zich daarvan bewust. In het Oecumenisch Handvest dat alle Kerken van
Europa op 22 april in Straatsburg hebben ondertekend, verplichten zij
zich elke poging tot misbruik van religie en Kerk voor etnische of nationalistische
doelen te weerstaan. Vaak blijkt bij een diepgaande beschouwing dat niet religie maar sociale en economische tegenstellingen de belangrijkste oorzaken van conflicten zijn. Een groeiende onzekerheid en armoede van een groot deel van de mensheid als gevolg van globaliserende economische systemen liggen aan de wortel van menig conflict dat op het eerste gezicht als een religieus conflict wordt gekarakteriseerd. We moeten goed nadenken over de vraag hoe godsdiensten, religieuze organisaties en individuen kunnen bijdragen aan oplossingen van conflicten, met name aan die conflicten die voortkomen uit globalisering van de economie.
Het kan inderdaad bij velen van ons minder en het moet minder. Waarom zou het ons steeds beter moeten gaan, terwijl er in onze eigen samenleving nog zoveel kansarmen zijn, terwijl de kloof met de arme landen steeds breder wordt en dieper? Waarom moeten wij onze rijkdom en luxe voor onszelf veilig stellen in een tot een fort omgebouwde Europese Unie? Waarom kunnen wij met al onze kennis en ervaring geen systeem bedenken voor een economie van het genoeg hier bij ons en een economie van tenminste voldoende in andere werelddelen? Waarom zou de ongeremde economische groei de hulpbronnen van de aarde mogen uitputten ten koste van de komende generaties? Vanuit de inspiratie van Christus’ voorbeeld moeten we ons bezinnen op onze mondiale verantwoordelijkheid en willen we bewust keuzes maken die de armen en uitgesloten in onze eigen samenleving en wereldwijd ten goede komen. Ik reken daarbij onder meer de vakbeweging tot bondgenoot. |