|
PROJECTEN
1
MEI CONFERENTIE 2004
Een initiatief van het Platform Economische Gerechtigheid
Ethiek
voor rijk en arm
Hub Crijns
Klik
hier om dit artikel te downloaden als Word-document (45kb)
Inleiding
Drie vormen van maatschappijordening
Islam en christendom over rechtvaardige inkomensverdeling
Inspirerende waarden
Het draagkrachtbeginsel
Een rechtvaardige ondergrens en bovengrens
Inkomensherverdeling via fiscale
maatregelen
Argumenten rond inkomensverschillen
Heeft Europa een sociaal model?
Internationale
solidariteit
Inleiding
Met
als zwaartepunt de ethisch-levensbeschouwelijke argumentatie komen op
de 1 Mei Conferentie 2004 (te houden op woensdag 28 april in de Eenhoorn
in Amersfoort) de toenemende verschillen in inkomen, vermogen en mogelijkheden
tot participatie aan de samenleving aan de orde. De Conferentie wordt
georganiseerd door het Platform voor Economische Gerechtigheid (Arbeidspastoraat
DISK, FNV en Justitia et Pax Nederland) samen met de Raad van Kerken in
Nederland, de werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA en CordAid. In dit
artikel een greep uit de voorbereidingspapers.

Drie
vormen van maatschappijordening
Onze sociale markteconomie
is een compromis tussen vrije markteconomie en de verzorgingsstaat.
De vrije markteconomie is gericht op winstmaximalisatie, groei en ontwikkeling
en leidt tot het vergroten van verschillen tussen mensen. Tussen werkenden
en niet werkenden, hoog- en laag opgeleiden, winnaars en verliezers. Mensen
die niet mee kunnen komen, die niet productief zijn worden uitgesloten.
Dit model wordt economisch gerechtvaardigd met het argument dat zo'n model
de economische groei optimaal bevorderd, omdat mensen op deze wijze het
best geprikkeld worden om een prestatie te leveren. De ethische rechtvaardiging
hangt hiermee samen: de arbeider is zijn loon waard.
De verzorgingsstaat kent een heel ander uitgangspunt. Voortbouwend op
eeuwenoude ideeën zoals het algemeen gebruiksrecht der goederen,
de waardigheid en beschermwaardigheid van iedere menselijke persoon en
de plicht tot solidariteit en verantwoordelijkheid, stelt zij grenzen
aan het verschil en de uitsluiting die de vrije markteconomie creëert.
De sociale markteconomie probeert een evenwicht tussen sociaal denken
en marktdenken te bereiken. Naast ethische argumenten wordt hier ook een
economische rationaliteit gehanteerd. Een markteconomie zonder sociaal
besef vernietigt op den duur de leefwereld die zij zelf nodig heeft, terwijl
een verzorgingsstaat zonder de middelen die de markteconomie voortbrengt
haar ambities niet waar kan maken. In de sociale markteconomie zijn verzorging
en markt hecht met elkaar verbonden. Deze verbondenheid gaat gepaard met
spanningen en wisselende nadruk op dan weer de verzorging, dan weer de
markt.

Ontwikkeling
richting markteconomie
Op
dit moment lijkt de balans weer richting markt door te slaan. Door de
krimpende economie daalt de werkgelegenheid en staan de uitgaven voor
de sociale zekerheid onder druk. Hierdoor neemt het aantal mensen met
een laag inkomen toe. Anderzijds neemt het aantal groot- en superverdieners
nog steeds toe. In extremis zou dit kunnen leiden tot het einde van de
sociale markteconomie en een overgang naar een markteconomie, die op Angelsaksische
leest geschoeid is.
Dit maatschappelijk klimaat en het economisch herstelbeleid van de regering
Balkenende II leggen meer nadruk op de prikkel tot prestatie dan op de
noodzaak tot solidariteit. Mensen zonder werk, mensen met een laag inkomen,
WAO'ers, ouderen en alleenstaande gezinnen worden vooral aangesproken
op hun eigen verantwoordelijkheid om voor zichzelf te zorgen, terwijl
over de verantwoordelijkheid van de samenleving voor hen die niet of maar
moeilijk mee kunnen komen gezwegen wordt. Er ontstaat een klimaat waarin
(grote) verschillen tussen armen en rijken vanzelfsprekend worden.
Men kan erop wijzen dat het vergroten van verschillen en uitsluiten van
mensen uiteindelijk contraproductief is, omdat men er de sociale infrastructuur
mee vernietigt. Vanuit levensbeschouwelijke hoek kan men ook tegenwerpen
dat zulk een visie en beleid niet strookt met de visie op God, mens en
wereld van waaruit men daar leeft. Met andere woorden: er bestaat niet
alleen een pragmatisch bezwaar tegen uitsluiting en verarming enerzijds
en tomeloze verrijking anderzijds, maar ook een meer principieel, ethisch
of gelovig bezwaar.
Op de komende 1 Mei Conferentie staat juist die ethisch-levensbeschouwelijke
argumentatie rond verschillen in inkomen, vermogen en mogelijkheden tot
participatie aan de samenleving centraal.

Wat
zeggen Islam en christendom over een rechtvaardige inkomensverdeling?
In het religieuze
denken van Islam en Christendom nemen sociaal-economische onderwerpen
een vaste plaats in. De getuigenissen van Mohammed en Jezus geven blijk
van een diepe sociale betrokkenheid. Beiden geven de voorkeur aan daden
boven woorden waar het om het uiten van het eigen geloof gaat. "Je
hoeft niet op iemands gebed of vasten te letten, kijk maar naar wat hij
doet met zijn grootgeld en zijn kleingeld" kennen we als woorden
van Mohammed en van Jezus is overlevert: "Aan de vruchten zult gij
hen kennen".
In een samenleving waar godsdienst en staat strikt gescheiden zijn hebben
godsdienstige gemeenschappen de belangrijke taak om met de overheid mee
te denken over economische vraagstukken zoals de inkomensverdeling.
Christelijke idealen rond inkomensverdeling hebben hun neerslag gevonden
in westerse politieke systemen. De christelijk-sociale leer geeft met
het draagkrachtbeginsel een krachtig concept voor een rechtvaardige samenleving.
Waar de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen wordt structuren
tegengewerkt waarin rijke rijker worden en armen armer. Dit heeft zijn
fundament in evangelieverhalen zoals de gelijkenis van de arbeiders in
de wijngaard.
Het Rijk Gods kenmerkt zich volgens het gelijkenisverhaal door gelijke
lonen voor iedereen. "Gaat ook gij naar mijn wijngaard en ik zal
jullie geven wat billijk is" zegt de heer des huizes tegen de arbeiders
die pas te elfder ure op de wijngaard verschijnen: gelegenheidsarbeiders
die voor deze dag geen tijdelijke baan wisten te bemachtigen. Op het einde
van de dag krijgt iedereen dezelfde loon uitbetaald, het bedrag dat met
de eerste arbeiders was uitgehandeld: "De laatsten zullen (zoals)
de eersten zijn en de eersten zullen (zoals) de laatsten zijn". Tot
ongenoegen van deze eerste arbeiders trouwens.
In Nederland is door de invoering van sociale uitkeringen de individuele
arbeidsprestatie losgekoppeld van een inkomen. Ook wie niet werkt heeft
recht op inkomen. Hebben we daarmee het Rijk Gods bereikt? Nee, helaas
moeten we constateren dat het sociaal minimum structureel te laag is om
er fatsoenlijk en voor een langere periode van te leven. Ook andere maatregelen
op het vlak van de inkomensbeleid hebben nog niet ertoe kunnen leiden
dat armoede Nederland uit is. Hoe kan aan de inkomensverdeling rechtvaardiger
vorm worden gegeven?
"Allah schaft de rente af en doet de zakât toenemen".
Zakât is een centraal begrip in de koran: "de wees niet verstoten
en de verstotenen en wanhopigen te voeden" is de opdracht aan de
gelovige moslim. In het verleden was zakât een inkomensbelasting
inkomen die aan de islamitische overheid of een zelf gekozen instelling
betaald werd. Vaak wordt zakât vertaald met "liefdadigheid"
of "aalmoezen". Het gaat hier echter niet om een vrijwillige
bijdrage maar om het recht van de armen en behoeftigen. Het islamitisch
economisch denken heeft de grondslag gelegd voor het eerste economische
systeem dat de overheid een sociale taak toekende. Een politiek systeem
dat in een staat meer wilde zien als een nachtwakerstaat. Het biedt ook
vandaag een politiek ideaal.

Inspirerende
waarden
Tijdens een debat
over ethiek van rijk en arm zijn waarden ontleend aan de christelijke
traditie, het christelijk-sociaal denken en het oecumenisch gedachtegoed,
steeds een inspiratiebron en een richtsnoer, zoals waardigheid, gerechtigheid,
verantwoordelijkheid, naastenliefde en solidariteit. Gezien het actuele
debat staan we extra stil bij de waarde verantwoordelijkheid
Elk mens kan vanuit zijn unieke waardigheid verantwoordelijkheid dragen
en verantwoording afleggen over zijn of haar persoonlijk handelen. Deze
mogelijkheid is een gave en een opgave. Er zijn verschillen tussen persoonlijke,
relationele en sociale verantwoordelijkheid. De wisselingwerking tussen
rechten en plichten, waar verantwoordelijkheid zich in uit, wisselt als
we veranderen van een kleine naar een midden of een grote reikwijdte van
handelen. De gegroeide maatschappelijke waardering van de persoonlijke
dimensie lijkt ten koste te gaan van de relationele dimensie, het ontmoeten
van en omzien naar de medemens, en van de sociale dimensie van verantwoordelijkheid,
het behartigen van het algemeen welzijn.
De verantwoordelijkheid voor het algemeen welzijn, voor gerechtigheid,
roept op tot solidariteit. Juist in deze tijd, waarin verschillen tussen
arm en rijk in ons land en wereldwijd steeds groter worden en steeds grotere
groepen mensen van de samenleving uitgesloten dreigen te worden, is het
besef belangrijk dat solidariteit vertrekt vanuit de gedachte dat de sterkste
schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Hoe noodzakelijk het ook is
om uitgesloten en arme mensen, groepen en landen op hun verantwoordelijkheid
te wijzen en hen uit te dagen hun positie te verbeteren, dit zal nooit
lukken als het rijkere deel van de samenleving of de wereld weigert zijn
bijdrage aan het algemeen welzijn te leveren. Het lijkt geen goede uitwerking
van solidariteit te zijn, wanneer het rijke deel van de samenleving zichzelf
van het geheel uitsluit en het armere deel aan haar lot overlaat.

Het
draagkrachtbeginsel
Deze waarden laten
zich vertalen in enkele principes of beginselen, die de basis kunnen zijn
voor concrete maatregelen. Het draagkrachtbeginsel is in de concrete uitwerking
van deze waarden wellicht het belangrijkst. Dit beginsel kan wat huiselijk
geformuleerd worden als: 'de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.'
Met andere woorden: van hen die veel (ook materiële) middelen en
mogelijkheden hebben, wordt gevraagd hun rijkdom te delen, opdat de middelen
ten goede komen aan hen die in een minder gunstige positie verkeren.
Dit draagkrachtbeginsel laat zich in onze samenleving op verschillende
manieren concretiseren en de onderstaande twee punten lijken daarbij van
groot belang.

Een
rechtvaardige ondergrens en bovengrens
Het debat over inkomen
zou niet alleen gevoerd moeten worden over de vaststelling van een rechtvaardige
benedengrens van het sociaal minimum, maar ook over waar een rechtvaardige
bovengrens ligt.
Bij het debat over de ondergrens komen vaak de basisbehoeften van mensen
in beeld en de basisvoorzieningen, waar zij minimaal toegang toe zouden
moeten hebben. Hoeveel inkomen is tenminste nodig om op een menswaardige
wijze volop te kunnen participeren aan de samenleving? Al enkele jaren
is vastgesteld dat wat beschouwd wordt als het sociaal minimum feitelijk
te laag is.
Bij het debat over de bovengrens komen argumenten in beeld, die te maken
hebben met verschil in beloning en inkomen. Roscam Abbing noemt in zijn
op dit punt nog steeds actuele studie over de Ethiek van de inkomensverdeling
(Deventer, 1973) de volgende argumenten, die een verschil in inkomen rechtvaardigen.
Allereerst schakelt hij de lotsfactoren (zowel positief in de zin van
aangeboren talenten of kwetsbaar in de zin van aangeboren handicaps) uit.
Vervolgens stelt hij dat ethische argumenten niet gelijk zijn aan financiële,
economische en politieke. Op grond hiervan ziet hij inspanning onder bezwarende
werkomstandigheden, behoefte elementen, en prestatie (bezien als eigen
inspanning) als de enige criteria op grond waarvan verschil in inkomen
te rechtvaardigen is. Inkomen verkregen op grond van speculatie wijst
Roscam Abbing op ethische gronden af. Het ethische onderzoek van Roscam
Abbing loopt uit op de conclusie dat een tegengaan van grote inkomensverschillen
belangrijk is voor een rechtvaardige samenleving.
Dit onderzoek stelt ons voor de volgende vraag: Op grond waarvan is het
billijk dat de ene mens een hoger inkomen ontvangt dan de ander? Welke
consequenties zou het antwoord moeten hebben voor het al dan niet stellen
van een maximale grens van het inkomen?

Inkomensherverdeling
via fiscale maatregelen
Van oudsher functioneert
het belastingstelsel als een belangrijk instrument voor een herverdeling
van de inkomens. Fiscale maatregelen kunnen zwaardere lasten leggen op
degenen met hoge inkomens, en mensen met een kleine beurs relatief ontzien.
In Nederland geldt ondermeer daarom een zogenaamd progressief belastingstelsel.
Een tweede instrument in de herverdeling van inkomens via fiscale maatregelen
vormt de inkomensafhankelijke premies voor volksverzekeringen. Wie meer
verdient draagt meer daaraan bij. Zo zouden bijvoorbeeld mensen die onbetaalde
zorg- en opvoedingstaken verrichten, gecompenseerd kunnen worden voor
hun inkomensderving vanwege het niet (voldoende) kunnen verrichten van
betaalde arbeid. Inkomensherverdeling via fiscale maatregelen heeft als
voordeel dat deze herverdeling betrekkelijk onbureaucratisch is, op maat
gesneden en zonder rechtsongelijkheid mogelijk is. Deze voorziening loopt
niet het gevaar van niet-gebruik. Op deze manier kan ook de armoedeval
teruggedrongen worden.
Volgende vraag is of deze negatieve inkomstenbelasting uitgewerkt dient
te worden in een voor iedereen geldend systeem (zie boven onder basisinkomen)
of in een gedeeltelijk categoriale negatieve inkomensbelasting. Gedeeltelijk:
er wordt geen vol wettelijk minimum loon uitgekeerd, maar slechts een
deel daarvan. Over de grootte van dit deel kan gediscussieerd worden.
Categoriaal: de negatieve inkomstenbelasting wordt uitgekeerd aan die
mensen, die met betaald werk nog geen volledig wettelijk minimum loon
verdienen.

Argumenten
rond inkomensverschillen
De vakbeweging FNV
is al jaren bezig om de systemen van functiewaardering dichter bij haar
waarden- en normenpatroon te brengen. Dan komen vragen in zicht als: Zijn
er ethische grenzen aan de markt en waar liggen die dan? Welke waarden
bepalen sociaal-economische verdeelsystemen? Concreet gaat het hierbij
om onterechte verschillen tussen hoofd- en handenarbeid en verschillen
tussen wat traditioneel als mannen- en vrouwenwerk werd beschouwd.
De vakbeweging fungeerde vaak ook als emancipatiebeweging. De emancipatie
van de arbeiders en de steun voor het kostwinnersmodel zijn opgevolgd
door de emancipatie van de vrouwen en de strijd voor economische zelfstandigheid.
En momenteel hebben vooral de allochtonen een structurele achterstand.
Net als eerder bij de vrouwen gaat het om mensen waarvan het niet vanzelfsprekend
is dat de vakbeweging voor hen in de bres springt. Het gaat om een groep
met een lage organisatiegraad, waarmee het traditionele vakbondslid zich
niet sterk verbonden lijkt te voelen. Ook dit keer staat een vakbeweging
met oog voor de toekomst voor de taak aan de specifieke problemen en belangen
van allochtonen in gelijke mate aandacht te besteden als aan die van andere
groepen.
Sinds de WRR-publicatie 'Een werkend perspectief' in 1990 is - in de politiek
-de discussie over de verkleining van de inkomensverschillen een tijd
lang ondergeschikt geweest aan die over de vergroting van de arbeidsparticipatie.
Recent kwamen de PvdA en het CDA met hernieuwde standpunten.
Wouter Bos pleitte op 14 juni 2003 voor relativering van het klassieke
sociaal-democratische gelijkheidsideaal. "Een wissel die om moet
is dat gelijkheid wat mij betreft een stap terug doet ten faveure van
participatie als nieuwe centrale notie voor de sociaal-democratie. Het
moet er niet om gaan of iedereen hetzelfde krijgt maar of iedereen naar
eigen mogelijkheden mee kan draaien in werk, bestuur en buurt. Laten we
daar dan ook ons verhaal en onze reflexen op aanpassen." "Te
vaak hebben we ons in het verleden laten verleiden om gelijkheid als gelijke
uitkomsten in plaats van als gelijkwaardigheid te interpreteren. Dat streven
naar gelijke uitkomsten is in een open society als de onze niet alleen
steeds moeilijker geworden, maar volgens Bos ook principieel verwerpelijk.
'Ik wil dat type gelijkheid helemaal niet.'" Paul Kalma reageerde
daarop in Socialisme en Democratie: "Laten we het gelijkheidsbeginsel
vooral nuanceren, differentiëren en anderszins bij de tijd brengen
(en daarbij de 'klassieken' nog eens goed raadplegen). En laten we dan
vervolgens met kracht uitdragen dat deze wereld niet minder, maar méér
gelijkheid nodig heeft; maar ook: dat gelijkheid een noodzakelijke, maar
geen voldoende voorwaarde is voor een humane samenleving; voor een samenleving
waarin materiële rijkdom wordt aangewend 'to promote the dignity
and refinement of the individual human beings who compose it' (Richard
Tawney, 1931)
Het CDA kwam op 12 februari 2004 met de nota "Heffen naar draagkracht
-Op weg naar een solidair inkomensbeleid'. Daarin doet de commissie verslag
van haar inzet de in het verkiezingsprogramma "Betrokken samenleving,
betrouwbare overheid" bepleite lastenmaximering - het begrenzen van
uitgaven van een huishouden voor wonen, zorg en het opvoeden van kinderen-
praktisch te vertalen. Tevens wordt beoordeeld hoe de opeenstapeling van
maatregelen door het kabinet uitpakt voor het beginsel van een eerlijke
verdeling van lasten en van een solidair inkomensbeleid.
Centrale vragen blijken te zijn: Waarom krijgen we het inkomen dat we
krijgen? Kloppen de wegingssystemen voor de beloning van de arbeid? Waarom
krijgen vrouwen altijd minder? Waar wordt het verdienen van een goed inkomen
zelfverrijking en waar worden inkomens exorbitant? Waarom zijn de vermogensverschillen
zoals ze zijn?

Heeft
Europa een sociaal model?
De Europese economische
en later ook politieke samenwerking, zoals die sinds WO II geleidelijk
aan gestalte heeft gekregen, kent een onderliggende visie. Die werd in
eerste instantie gedragen door de wens oorlog in Europa voorgoed uit te
bannen. Daarnaast kent die visie ook sociale aspecten. Het conflict tussen
arbeid en kapitaal is in het Europees of Rijnlands sociaal model opgelost,
of toch minstens van haar scherpste kantjes ontdaan. Dit sociaal model
kent grote verwantschap met kernbegrippen (verantwoordelijkheid, solidariteit,
subsidiariteit) uit de christelijke sociale leer, of is daar zelfs (mede)
door geïnspireerd.
Het zich ontwikkelende Europese model wordt vanaf 1985 op de proef gesteld
door het Angelsaksisch model waar veel grotere nadruk wordt gelegd op
de individuele vrijheid. De EU heeft hier op ingespeeld door de competitiviteit
van haar economie te vergroten: meer marktwerking, privatisering, striktere
monetaire politiek. Haar sociale doelstellingen heeft zij wel gehandhaafd
(verklaring van Lissabon), maar die staan in de praktijk zwaar onder druk
(zie ontwikkelingen in Frankrijk, Duitsland en sinds kort ook weer Nederland).
De komende uitbreiding van de Europese Unie zal dit sociaal model verder
op de proef stellen. Er dreigt een Europese tweedeling te ontstaan tussen
de oude en de nieuwe lidstaten:
in de grotere Europese Unie zullen de verschillen in economische en sociale
macht en mogelijkheden veel verder uit elkaar liggen dan in de huidige
Unie. Het is nog maar de vraag of de uitgebreide Unie een inspanning wil
leveren om deze verschillen te verkleinen. Vrij verkeer van personen tussen
Oost- en West Europa wordt nu al aan beperkingen onderworpen. Een ontwikkelingssprong
door Europese subsidies, zoals Portugal en Spanje hebben kunnen nemen,
blijft waarschijnlijk uit. Of er een daadwerkelijk vrije markt komt is
nog maar de vraag. Gaan Europese richtlijnen en kwaliteitsnormen de facto
functioneren als exportbeperkende maatregelen voor de nieuwe lidstaten?
Zullen West-Europese bedrijven nieuwe lage lonen landen opzoeken, als
door Europese maatregelen de loonkosten in de nieuwe lidstaten stijgen?
Biedt het ontwerp van de Europese Grondwet voldoende fundament?

Internationale
solidariteit
In
september 2000 werd in New York door alle 189 lidstaten van de Verenigde
Naties de Millenniumverklaring getekend. In deze verklaring staan acht
Millennium Development Goals (MDG's) om armoede en honger te bestrijden
en onderwijs, gezondheidszorg, de positie van vrouwen en het milieu te
verbeteren. Alle regeringen hebben beloofd om deze doelstellingen gezamenlijk
te realiseren tegen 2015.
De MDG's zijn een verzameling van afspraken, die gemaakt zijn tijdens
de grote conferenties over ontwikkelingssamenwerking van de jaren negentig,
toen met de beëindiging van de koude oorlog en de daarmee vrijkomende
middelen de gedachte overheerste dat er daadwerkelijk een einde aan wereldwijde
armoede gemaakt kon worden. Op de drempel van de 21ste eeuw bleek echter,
dat deze intenties danig in het slop waren geraakt met 54 landen die er
in de jaren negentig op achteruit zijn gegaan, en met een afkalvend publiek
draagvlak dat nog wel bereid is te geven ten behoeve van het goede doel
maar steeds minder vertrouwen heeft in het bereiken daarvan. De MDG's
beogen deze negatieve trend te keren ondermeer door de output (halvering
armoede, volledige toegang basisonderwijs etc) en daarmee ook de kwaliteit
van de interventies centraal te stellen in plaats van alleen op de input,
de financiering, te mikken.
Tussen de 50 á 100 miljard euro is er jaarlijks extra nodig om
de MDG's te halen. Een schijntje vergeleken met de duizenden miljarden
dollars (1300 miljard dollar in 1995) die dagelijks worden omgezet in
consumptie en wapens. Alom wordt erkend dat de MDG's technisch en financieel
haalbaar zijn. Wat nodig is, is politieke wil. Wil om samen te werken,
wil om te betalen en bovenal de wil om kritisch naar het eigen te handelen
te kijken om corruptie, schending van mensenrechten, en ondermeer dumping
van zwaar gesubsidieerde goederen op kwetsbare markten te beëindigen.
De strijd tegen armoede lijkt het echter al weer afgedaan te hebben tegen
die van de strijd tegen terreur. En investeringen in Irak en Afghanistan
dreigen fors te concurreren met die in Subsahara Afrika. Met het falen
van Doha ontwikkelingsronde nog vers in het geheugen wordt opnieuw pijnlijk
duidelijk dat politici vooral beheerst worden door de waan van alle dag.
Nederland zet zich onder de kabinetten Balkenende vooral in om onder de
kunstmatig getrokken grens van het begrotingstekort te blijven, hoewel
zij de realisatie van de MDG's hoog in het vaandel heeft geschreven. Ontwikkelingssamenwerking
verwordt daarin steeds meer tot een sluitpost. Dit uit zich ondermeer
door tijdens internationale bijeenkomsten oprekking van de criteria voor
echte ontwikkelingshulp te bepleiten.
De vraag rijst wat er nu moet gebeuren. Zullen de MDG's toch een succes
worden? En wat als het geen succes wordt? Kan armoede werkelijk gehalveerd
worden? Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om de MDG te realiseren?
Welke rol hebben wijzelf daarin te spelen?
Verdere informatie
over de komende 1 Mei Conferentie is ook te lezen op de websites www.fnv/levensbeschouwing.nl;
www.justitiaetpax.nl.
Drs H.J.G.M. Crijns
is directeur van landelijk bureau DISK (Dienst in de Industriële
Samenleving vanwege de Kerken)
Klik
hier voor een impressie van de conferentie.
Klik
hier voor de lezing van Ineke Bakker tijdens de 1 Mei Conferentie
2004.
Klik
hier voor de inleiding van Bisschop Van Luijn tijdens de 1 Mei Conferentie
2004.

Terug
naaar openingspagina 1 mei conferentie
|